Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

betrekkelijk voornaamwoord - (pronomen relativum)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

voornaamwoord zn. ‘pronomen’
Mnl. vorename [ca. 1483; Voc.cop.]; vnnl. voornamelijk woordt [1568; Radermacher], voor(-)naem, voor-naem-woord [1628; Ampzing], voorwoort [1633; Van Heule].
Samenstelling met een verduidelijkend laatste lid → woord en de woorden → voor 1 en → naam, gevormd als leenvertaling van Latijn prōnōmen, dat op dezelfde manier is gevormd uit → pro- ‘in de plaats van, voor’ en nōmen ‘naam’. Deze Latijnse taalkundige term is zelf weer een leenvertaling van Grieks antōnumía ‘voornaamwoord’, dat gevormd is uit antí ‘tegen(over), in plaats van’, zie → anti(-), en een combinatievorm van ónoma ‘naam, naamwoord’. Kenmerkend voor het voornaamwoord is dat het wordt of kan worden gebruikt in de plaats van een zelfstandig naamwoord.
De Griekse taalkundige Dionysius Thrax heeft in de 1e eeuw voor Chr. als eerste het voornaamwoord als afzonderlijke categorie aangegeven. Het pronomen wordt in de Latijnse grammatica verdeeld in demonstrativum, relativum, possessivum, reflexivum en reciprocum (zie onder).
aanwijzend voornaamwoord ‘pronomen demonstrativum (wijst personen of zaken aan)’. Vnnl. aenwijser [1605; Heyns], wijzende voornaem [1625; Heule], aenwijsende voor-naem [1628; Ampzing]; nnl. aenwyzend voornaemwoord [1706; Moonen]. Leenvertaling van Latijn pronomen demonstrativum (Grieks deiktikón); bij de oudste grammatici valt hieronder ook het persoonlijk voornaamwoord. Ook de vernederlandste vorm demonstratyf [ca. 1638; Hooft] wordt gebruikt, net als de verzelfstandigde vorm van het Latijnse bn.: het demonstrativum. ♦ betrekkelijk voornaamwoord ‘pronomen relativum (leidt een bijvoeglijke bijzin in en verbindt deze met het antecedent)’. Vnnl. betreckelijke voornaam [1584; Twe-spraack], betrecker [1605; Heyns], betreckende voor-naem [1633; Van Heule]; nnl. betreklyk voornaemwoort [1706; Moonen]. Leenvertaling van Latijn pronomen relātīvum (Grieks anaphorikón), waarin relātīvum afgeleid is van het werkwoord referre ‘terugbrengen, -dragen’ (verl.deelw. relātum), zie → refereren. Het pronomen relātīvum is dus letterlijk een ‘voornaamwoord dat je terugdraagt (naar zijn antecedent)’. Ook de vernederlandste vorm relatyf [ca. 1638; Hooft] wordt gebruikt, naast de oorspr. Latijnse term relativum. ♦ bezittelijk voornaamwoord ‘pronomen possessivum’. Vnnl. besitter [1605; Heyns], ervelicke voornaem [1625; Heule], besittende voor-naem [1628; Ampzing]; nnl. bezittend voornaemwoort [1706; Moonen], bezitlijk voornaamwoord [1799; Weiland]. Leenvertaling van Latijn pronomen possessīvum [4e eeuw]. Het tweede lid hiervan is een afleiding van het werkwoord possidēre (verl.deelw. possessum) ‘in bezit nemen, bezitten’. Daarnaast wordt ook de vernederlandste vorm possessief [1625; Heule] (en varianten) van meet af aan gebruikt, naast de oorspr. Latijnse vorm possessivum. ♦ wederkerend voornaamwoord ‘pronomen reflexivum’. Vnnl. betrekkend woord [1653; Leupenius], Weederkeerige voornaamen [1672; Meijer], weederkeerend voornaamwoord [1706; Moonen]. De Duitse taalkundige Laurentius Albertus sprak al in 1573 van Widerkehrend. In het Nederlands wordt de term voor het eerst genoemd door Moonen. Het wederkerend voornaamwoord heeft in het Nederlands de vorm van een persoonlijk voornaamwoord, behalve in de derde persoon, waar → zich wordt gebruikt. Zich is een woord dat al in de middeleeuwen in Oost-Nederland gebruikt werd, en allengs ook naar het westen oprukte en rondom 1500 de schrijftaal bereikte. Illustratief voor de overgang is een citaat uit Twe-spraack (1584, 84): “... een wyze zoon laat hem tuchtighen, &c. na myn achting zoudet zich tuchtighen behóren te zyn.” Van Heule (1625) en Ampzing (1628) vermelden eveneens zich, maar zonder woordsoortbenoeming. Leupenius (1653) kiest voor de vorm sik in plaats van sich/sig, naar analogie van ik naast Hoogduits ich. ♦ wederkerig voornaamwoord ‘pronomen reciprocum’. Nnl. weederkeerig voornaamwoord [1862; Kramers NF], wederkerig voornaamwoord [1895; Den Hertog]. Onder wederkerig voornaamwoord vallen elkander en malkander en hun oorspr. slechts in de spreektaal gebruikte varianten mekaar en → elkaar. Het onderscheid tussen wederkerend (reflexivus) en wederkerig (reciprocus) voornaamwoord werd in het verleden niet zo nauwkeurig beleden als thans het geval is.
Lit.: Ruijsendaal, 1989, 1991; Dibbets, 1995; L. Meijer (1672), Italiaansche spraakkonst, heruitgave V. lo Cascio, Dordrecht 1995; Van der Sijs 2004: 481-484

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal