Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

betrappen - (verrassen, overvallen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

betrappen ww. ‘verrassen, overvallen’
Mnl. betrapen ‘vangen’ [1265-70; CG II, Lut.K], betrape ‘betrappen, in zijn macht krijgen’ [1290; CG II, En.Cod.]; vnnl. be-trapen, be-trappen ‘vangen, bij de daad verrassen’ [1599; Kil.], de betrapte ‘de persoon die verrast wordt (bij iets ongeoorloofds)’ [1610; WNT].
Afleiding met → be- van het Middelnederlandse werkwoord trappen ‘stappen op, vangen’ [1470; MNW], dat zelf afgeleid is van het zn. mnl. trap ‘val om dieren te vangen’ [1384-1407; MNW], zie → trap 1.
Nfri. betraapje; oe. be-træppan, be-treppan ‘omsingelen’ (ne. (be)trap ‘vangen’); got. ana-trimpan (met nasaal-tussenvoegsel) ‘treden, stappen’.
In het Middelnederlands (en nog tot in de 19e eeuw (WNT)) had betrappen ook de betekenis ‘in zijn macht krijgen’, terwijl in de 17e en 18e eeuw betrappen (en het frequentatief betrappelen [1801; WNT]) de betekenis ‘op iets of iemand trappen’ had (afleiding van → trappen in de betekenis ‘stappen op’).
Uit Oudfrankisch trappa [6e eeuw] stammen Oudfrans trappe ‘val’, entraper [12e eeuw] (Nieuwfrans attraper ‘betrappen, in de val lokken’). Hieraan ontleende het Duits het werkwoord attrappieren ‘in de val lokken’ [in gebruik tussen de 17e en begin 20e eeuw].

betrappen ww. 'verrassen, overvallen'; de betekenis 'bij de daad verrassen' (1599)
ANTEDATERING: Dit wijf es nu betrapt in overhoere 'deze vrouw is nu betrapt op overspel' [1275-1300; iMNW overhoer]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

betrappen* [overvallen] {1265-1270 in de betekenis ‘betrappen, in zijn macht krijgen, iets machtig worden’} van be- + trappen, in de betekenis ‘vangen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

trappen ww., mnl. trappen = mnd. trappen “luid stappen”, noorw., zw. dial. trappa “trappen, stappen, stampen”. Hierbij met één p ags. treppan (3. pers. trepeð) “treden, vangen in een strik”, mnl. be-trāpen “in zijn macht krijgen, vinden, betrappen” (nnl., sedert Kil., betrappen); voor de bet. vgl. ags. be-træppan, be-treppan “omsingelen” (eng. to entrap): oorspr. bet. “stooten op” of “aanstappen op” (vgl. hieronder got. ana-trimpan); ’t is minder geraden, de laatstgenoemde ww. van trappen te scheiden; hierbij nog het ndl.-eng. (ook ndd.) znw. voor “strik”, bij trap genoemd. Ontl.: fr. attraper “vangen, betrappen, vinden”. Wsch. verwant met klruss. drabýna, moravisch, po. drabina “ladder” en misschien hoogerop met treden. De germ. basis trimp-, tramp-, trump- (mhd.-md., nhd. trampeln “met zware stappen gaan”, mhd. trumpfen “loopen”, mnd. trampen “stampen”, ndl. dial. trampelen “id., trappelen”, mnl. tramperen “id., als een dolle heen en weer loopen”, eng. to tramp, to trample “trappen, treden”, noorw. dial. trumpa “stooten”, got. ana-trimpan “toedringen op”) kan als nasaleering van (trep-) trap-, maar ook als trem-p-, idg. drem-b- opgevat worden, een verlenging van dre-m-, waarvan ags. trem, trym “stap, schrede”, gr. dramoūmai “ik zal loopen”, oi. drámati “hij loopt”. Vgl. nog trippelen; voor dgl. vormen met anderen anlaut vgl. draven en strompelen. De directe combinatie van trappen met lit. drebù, drebéti “beven” is mogelijk, maar hoogst onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

betrappen o.w., Mnl. betrappen, betrapen, denom. van trappe, trape = val, strik: z. trap en trappen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

betrappen ‘de bedrijver van iets kwaads verrassen’ -> Fries betraapje ‘de bedrijver van iets kwaads verrassen’; Petjoh bepekken ‘de bedrijver van iets kwaads verrassen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

betrappen* verrassen 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut