Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

betogen - (trachten te bewijzen; een betoging houden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

betogen ww. ‘trachten te bewijzen; een betoging houden’
Mnl. betoget (3e pers. ev.) ‘hij toont’ [1236; CG I, 29], betogen ‘bewijzen’ [1252; MNW], betoghen ‘te kennen geven, verwittigen’ [1277; CG I, 354].
Afleiding met → be- van mnl. toghen ‘te kennen geven’ [1240-60; CG I, 70], thoogen, toogen ‘tonen, bewijzen’, wrsch. verwant met → oog.
Bij mnl. toghen, t(h)oogen: os. tōgian; ohd. zougan; got. at-augjan ‘tonen’. Gezien de got. vorm zal dit werkwoord een afleiding zijn bij pgm. *augan- ‘oog’. In de oorspr. vorm pgm. *at-augjan- verdween de a-, doordat de klemtoon op -au- lag. Later heeft men er een nieuw voorvoegsel aan toegevoegd, dus: *bi-at-augjan- (maar nog onl. ougon (infinitief) ‘tonen’, ogostu /ō-/ ‘jij toont’ [10e eeuw; W.Ps.]).
In het Middelnederlands bestond ook → betonen 1 met dezelfde betekenis, maar met een andere etymologie. Ook Kil. 1599 vermeldt nog be-tooghen “betoonen”.
betoging zn. ‘bewijsvoering’ [1758; WNT]. Afleiding van betogen met → -ing. Naar analogie van Frans démonstration en manifestation is in het BN de leenvertaling betoging ‘protest, manifestatie’ [1861; Toll.] ontstaan, “vermoedelijk (als) purisme voor demonstratie” (Toll.). Sinds ca. 1900 komt deze betekenis van betoging ook in het NN voor [1898; Dale].
Lit.: W. de Vreese (1899) Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent, 28

EWN: ♦ betoging zn. 'bewijsvoering' (1758)
ANTEDATERING: vnnl. Betoghing van persoon 'betoog m.b.t. een persoon' [1587; Spiegel, 191]
Later:de gewigtige betooging 'de belangrijke manifestatie' [1844; Middelburgsche courant (KB) 31/12] (EWN: 1861)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

betogen* [trachten aan te tonen] {betog(h)en 1236} van be- + middelnederlands togen (vgl. tijgen), dat inmiddels vervangen is door tonen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

betogen ww., mnl. betoghen ‘tonen, bewijzen’ is afgeleid van het nog in het Vla. gebruikelijke togen, waarvoor zie: tonen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

betoogen ww., mnl. betôghen “toonen, bewijzen”. Een samenst. van tôghen “toonen”, dat in het Vla. nog bestaat. Zie bij tonen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

beto[o]gen. Hierbij het znw. † betoging (beto[o]ging), jonge, oorspr. zuidndl. vorming naar fr. démonstration en/of manifestation.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

betogen ‘trachten aan te tonen’ -> Fries betoge ‘trachten aan te tonen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

betogen* trachten aan te tonen 1236 [CG I1, 29]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut