Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

betijen - (begaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

betijen ww. ‘begaan’
Mnl. alleen in de uitdrukking enen laten betien ‘iemand laten begaan’ [ca. 1440; MNW]; ook in het nnl. alleen in iemand of iets laten betijen.
Afleiding met → be- van het Middelnederlandse werkwoord tien /tiën/ ‘trekken, brengen, gaan’ [ca. 1410; MNW], zie → tijgen.
Nhd. beziehen ‘betrekken’; nfri. betsjen.
De -ie- van betien (sterk werkwoord van klasse II) leverde klankwettig geen diftong op; de vorm vnnl. betijen [1556; WNT] is ontstaan door verwarring met een ander Middelnederlandse werkwoord betien (sterk werkwoord van klasse I) ‘beschuldigen’ (zie → betichten), dat wel de diftongische vorm betijen kon ontwikkelen. Later ontstond hieruit betijgen, met -g- overgenomen uit de vormen met grammatische wisseling -h- > -g-, vnnl. betegen (verl.deelw.) ‘beschuldigd’ [ca. 1540; WNT], zoals dat ook is gebeurd bij → aantijgen. Het werkwoord tijgen ‘trekken, gaan’ heeft eveneens een onterechte -ij- en een secundaire -g-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

betijen* [begaan] {betien 1300} van be- + middelnederlands tien [trekken] (vgl. tijgen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

betijen ww. alleen nog in de uitdr. iemand laten betijen, mnl. betîen vgl. enen laten betîen behoort bij tijgen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

betijen ww. (alleen nog in: iemand laten betijen). Voor -tijen vgl. tijgen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

betijen ono.w., Mnl. betien: eenen laten betien: z. tijding.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

beti’jen uitblazen, even wachten (Veluwe). = eng. betide ‘gebeuren’, oeng. (zonder voorvoegsel) tídan ‘gebeuren’. ~ nl. tij, getijgetijden (afl. bij tijd). Be- geeft een bereiken aan. De grondbetekenis is dus ‘het (juiste) getijde bereiken’. ≠ betijen (= betijn ↑). ≠ betijen (zie betijd ↑).
Van Schothorst 31, 105, Mulder 20.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

betijen* begaan 1300 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal