Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

betalen - (geld doen toekomen; vergelden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

betalen ww. ‘geld doen toekomen; vergelden’
Mnl. betalen ‘betalen’ [1265-70; CG II, Lut.K], ‘zich kwijten van’, betaelt (verl.deelw.) ‘vergolden, betaald gezet’ [1276-1300; CG II, Kerst.].
Afleiding met → be- van het Middelnederlandse werkwoord talen: taelne (infinitief) ‘spreken’ [ca. 1280; MNW], talen ‘vertellen’ [1321; MNW], ‘in rechte spreken’, ook ‘betalen’ [1370; MNW], zie ook → talen. Dit woord is enerzijds afgeleid van het zn. mnl. tale ‘wat iemand zegt’, zie → taal en anderzijds van mnl. tal ‘aantal, getal’, zie → tal.
Mhd. bezaln ‘natellen, berekenen’ (nhd. bezahlen ‘betalen’); ofri. bitalia ‘betalen’ (nfri. betelje). Dit zijn afleidingen van een simplex: os. talon ‘berekenen’; ohd. zalōn ‘tellen, berekenen, betalen, overdenken’ (mhd. zalen ‘(op)tellen, berekenen, berichten, vertellen’); ofri. talia ‘tellen, rekenen’; oe. talian ‘rekenen, vertellen’; on. tala ‘spreken’; < pgm. *talōn-.
Lit.: Philippa 2000

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

betalen* [kosten voldoen] {1270} van tal, taal.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

betalen ww. Sedert ʼt Mnl. Mhd. Mnd. Ofri. Zie taal.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

betalen o.w., Mnl. id. + Mhd. bezalen, van tal (z. getal), dus = berekenen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

betaole (ww.) betalen; Middelnederlands betalen <1265-1270>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

betalen ‘schulden voldoen’ -> Fries betelje: immen eat betelle sette ‘iemand iets betaald zetten’; Engels † betall ‘voldoen, vereffenen’; Deens betale ‘schulden voldoen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors betale ‘schulden voldoen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds betala ‘schulden voldoen’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect pètale ‘schulden voldoen’; Xhosa bhatala ‘schulden voldoen’ ; Zoeloe -bhadal- ‘schulden voldoen’ ;? Singalees batā ‘onderhoudstoelage’; Negerhollands betaal, bǝtāl, bitāl, betael ‘schulden voldoen; betaling’; Berbice-Nederlands bital(i) ‘schulden voldoen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

betalen* schulden voldoen 1270 [CG I1 167]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

639. Het gelag betalen.

Onder het gelag verstond men de vertering in een herberg gemaakt; in eigenlijken zin wil de uitdr. dus zeggen ‘de vertering betalen hetzij zijn eigene, of ook die van anderen, met wie men in gezelschap geweest is, zoodat men deze vrijhoudt. Bij overdracht de straf van anderen dragen, boeten, hetzij voor hetgeen men met anderen misdreven heeft, hetzij voor datgene waaraan alleen anderen schuld hebben, en wel zóo dat deze vrijblijven; er voor opdraaien’.Oorspronkelijk wil gelag als afleiding van geleggen, samenleggen, zeggen ‘het door eenige personen bijeengebrachte geld, om op gezamenlijke kosten te eten en te drinken’ en vandaar de kosten voor de gemaakte vertering. Vgl. Kil. 163: ghe-lag, sive ghe-laegh à legghen i. ponere: quod quisque suam partem apponat et conferat; het fr. écot, gelag, gezelschap, krans, van germ. schot, geldelijke bijdrage (vgl. schot en lot). In dezen zin komt t(ge)lach betalen, tghelach gelden sedert de Middeleeuwen voor. Zie het Ndl. Wdb. IV, 1038; II, 2197; Mnl. Wdb. II, 1185 en vgl. het fri.: it gelach bitelje of de pot fortarre. Synonieme uitdrukkingen waren of zijn voor het gelag blijven; de ballen betalen (Gew. Weuw. III, 28) of den bal boeten (waarmede men zelf niet gespeeld heeft); den bot schudden (nog in 't Vlaamsch, zie Schuermans, 71); de scherven betalen (Rutten, 199); het loodje leggen (Coster, 211 vs. 128; 511 vs. 472 en Van Dale); het loodje schieten (Sewel, 459); der zak lappe (Jongeneel, 96); het leste keersken uitblazen (Joos, 75). Zie Joos, 80 en 91; Suringar, Erasmus, XXXV en vgl. het fr. payer les violons, les pots cassés (in Waasch Idiot. 794: de gebroken potten moeten betalen), en het hd. das Bad austragen müssen, etwas ausbaden müssen; die Zeche oder die Suppe zahlen müssen; vroeger ook das Gelag bezahlen (Borchardt, no. 100; 1265); eng. to pay the piper, the scot. Synoniem was in de middeleeuwen die hanse gelden, waarbij men denke aan de vroegere gewoonte om bij de intrede in een hanse een geldsom te storten of de leden te onthalen.Mnl. Wdb. III, 86; Ndl. Wdb. V, 2130..

2026. Schot en lot betalen

is eene verouderde uitdrukking voor belasting betalen, aan zijne verplichtingen als burger voldoen; nml. scot ende lot ghelden, belastingplichtig zijn, zijne belastingen betalen, syn. van te scote ende te lote staan. Het znw. scot wordt afgeleid van het ww. scieten, in den zin van geld schieten, tot iets bijdragen, terwijl men onder lot moet verstaan ‘door het lot bepaald aandeel’, ‘aandeel in de belasting’. Zie Vondel, Roskam, 153; Gijsbr. v. Aemst. vs. 59; Mnl. Wdb. IV, 827; VII, 687; Ndl. Wdb. VIII, 3060; fri. skot en lot bitelje.

1580. Iemand met gelijke (of dezelfde) munt betalen.

d.i. in eigenlijken zin: iemand betalen met geld of munt van dezelfde waarde, als waarmede hij betaald heeft; bij overdracht in toepassing op onvriendelijke of vijandige handelingen: iemand bejegenen zooals hij ons heeft bejegend, hem zijne handelingen op dezelfde wijze betaald zetten, vergelden; 17de eeuw op zoo weerom handelen. Vgl. Poirters, Mask. 26; Asselijn, Jan Kl. 447; Idinau, 261:

 Die werdt met de selfde maete ghe-meten
 En met de selfde munte be-taelt,
 Die, daer hy een ander heeft mede ver-beten,
 Met de selfde maniere, oock werdt ont-haelt.

 Die wat doet wt wrake, seer leelijcken faelt.Zie verder Huygens, Zeestraet, vs. 725: Ick eisch gelycke Munt; Van Effen, Spect. IV, 108; 240; VI, 151; VII, 79; IX, 223; Tuinman I, 266; 501: Malkander met gelyke munt betaalen (malkander eveneens handelen), to pay one another in the same coin; Ndl. Wdb. II, 2200; IX, 1241; Villiers, 84; Slop, 106: Hij zou zich niet meer laten koejeneeren, maar munt met munt betalen. Vgl. ook het hd. jemand mit gleicher Münze bezahlen; de. at betale med samme Mynt; fr. payer quelqu'un de la même monnaie; rendre à quelqu'un la monnaie de sa pièce (Wander III, 781); eng. to pay a p. back in the same (or in his own) coin. Synoniem was de uitdr. iemand antwoorden in eigen spraeck (Witsen 482 b); iemand met zijn eigen vet begieten (Kluchtspel I, 49); wittebrood voor weggen wedergeven (Noord en Zuid XX, 142). (Aanv.) Soms ook iemand met zijn eigen munt betalen, evenals in het eng. to pay a person in his own coin.

2270. Den tol aan de natuur betalen,

d.w.z. sterven, een natuurlijken dood sterven; in het mnl. der naturen scout (of recht) betalen of (ver)ghelden; der werelt scout ghelden; der doot haer scout gheven; sine scout betalen of ghelden; ook sijns levens tol geven of tol van den live geven, doch dit laatste in den zin van iets met zijn leven bekoopen, het leven verliezen (Mnl. Wdb. IV, 2198; VII, 712; VIII, 527). De zegswijze herinnert aan het niet spreekwoordelijke Latijn: naturae debitum reddere (Nepos). Zie Brederoo III, 114, vs. 380: Den tol van de natuur elck een betaelen moet; Bilderdijk I, 320 voor: Morgen leg ik 't hoofd toch neder en betaal Natuur haar recht; Veegens, Hist. Stud. 2, 206: Mijn grootvader betaalde den 3den September 1797 den tol der natuur; zie ook Nkr. I, 3 Nov. p. 3: Hij wou Mageren Hein verhinderen hem de tol aan de natuur te doen betalen. Ook in den zin van de rechten der natuur laten gelden; zijn menschelijke natuur laten blijken; vgl. Geel, Sent. Reis, 56: Toen de bedroefde man zoo ver in zijn verhaal was, hield hij op, om aan de natuur haren tol te betalen, - hij weende bitterlijk; Ndl. Wdb. IX, 1612; hd. die Schuld der Natur bezahlen; fr. payer le tribut ou sa dette à la nature; eng. to pay the debt of nature.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut