Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bestek - (plan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bestek 1 zn. ‘begrensde ruimte, ontwerp’
Vnnl. besteck ‘bestek, ontwerp’ [1514; MNHWS], besteck ‘ontwerp’ [1599; Kil.].
Afleiding van het Middelnederlandse werkwoord besteken, dat met → be- is afgeleid van het werkwoord → steken, in de verouderde betekenis van ‘afperken, begrenzen (met palen)’: besteken (verl.deelw.) ‘beschreven, vastgelegd’ [1297; CG I, 2418].
Behalve in vaste verbindingen, zoals in kort bestek ‘beknopt’ of buiten het bestek ‘buiten de opzet’ is het woord in de algemene taal in onbruik geraakt, misschien vanwege de homonymie met → bestek 2. Als vakterm is het woord nog heel gangbaar: zo betekent het in de bouwkunde ‘gehele planning van een bouwwerk’; in de zeevaart betekent de verbinding gegist bestek ‘plaatsbepaling van een schip op zee door berekening’ [1770; WNT], zie → gissen; in deze betekenis komt ook besteck [1598; WNT] voor.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bestek1* [plan] {besteck [bestek, ontwerp] 1514} van middelnederlands besteken [met palen bezetten, bepalen, een bestek maken], van be- + steken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bestek znw. o., mnl. bestec ‘ontwerp’, bij Kiliaen besteck ‘omheining, onderneming, plan’, bestek ‘ontwerp’. Afgeleid van verouderd besteken ‘afperken, afgrenzen’. — Zie: steken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bestek znw. o., mnl. bestec o. “ontwerp”, Kil. besteck “omheining, ondernemenig, plan”, bestek “ontwerp”. Afl. van besteken in de nu verouderde bet. “afperken, begrenzen”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bestek ‘plan; positiebepaling van een schip’ -> Fries bestek ‘plan; positiebepaling van een schip’; Duits dialect Besteck ‘bepaalde afmeting, maat bij het graven van turf’; Deens bestik ‘berekening van de positie van een schip’; Noors bestikk ‘berekening van de positie van een schip’; Zweeds bestick ‘bouwplan voor een schip; berekening van de positie van een schip’; Fins pestikki ‘koersbepaling’ ; Russisch † bešték ‘bouwplan voor een schip’; Indonesisch besték ‘bouwspecificaties’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bestek* plan 1514 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut