Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

besmuikt - (heimelijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

besmuikt bn. ‘heimelijk’
Nnl. besmuikt ‘heimelijk’ [1898; Dale], maar al mnl. ondert smuyck ‘in het geniep’ [1486; MNHWS] en vnnl. ter smuyck ‘heimelijk’ [1618; WNT].
Afleiding met → be- van een inmiddels verdwenen werkwoord smuiken ‘zich verborgen houden, zich stilletjes te goed doen’ [begin 16e eeuw; WNT], mnl. smuken ‘laag of kruiperig zijn’ [ca. 1400; MNW], van dezelfde stam als → smokkelen. Deze vorming is wrsch. beïnvloed door besmuikt ‘beneveld’ [1610; WNT], het verl.deelw. van besmuiken, afgeleid met het voorvoegsel → be- uit smuiken ‘smeulen; misten, motregenen’ [midden 16e eeuw; WNT], dat wrsch. niet verwant is. Naast smuiken staan verder smuigen ‘stiekem of zwijgend denken, zich in het verborgen te goed doen’; in het Nieuwnederlands bestaat smuiger nog in de betekenis ‘smokkelaar, gluiperd, bedrieger’. Hiermee wrsch. niet verwant is nnl. smuigen ‘roken, smeulen’ [1842; WNT] (ook Fries smûge ‘walmen; moeilijk, hoorbaar ademhalen’, smûch ‘ademtocht’).
Smuigen, waarin het betekenisaspect ‘stiekem’ zit, komt overeen met ohd. smiogan ‘in elkaar krimpen’ (mhd. smiegen ‘zich in een nauwe opening persen, wegkruipen, in elkaar krimpen’; nhd. schmiegen ‘(zich) teder tegen iets aandrukken, zich een vorm elastisch aanpassen’); ofri. insmūge (zn.) ‘het inkruipen’; oe. smūgan ‘kruipen’; on. smjúga (nzw. smyga ‘sluipen, kruipen, vleien’).
Als nnl. smuiken en smuigen direct met elkaar te maken hebben, dan moet men de wortel pie. *smeugh-, *smeuk- (IEW 745) reconstrueren. Dat is mogelijk een variant van pie. *meug-, *meuk- ‘glibberig, slijmerig’ ((s)-formans), op te vatten als uitbreiding van de wortel pie. *meu-, *mu- ‘vochtig, modderig’.
De (wrsch. apart staande) groep met smuigen, smuiken ‘roken, smeulen, dampen, misten’, ‘roken, smeulen’ gaat, samen met → smoken ‘roken’, terug op pie. *smeuk-, *smeug-, *smeugh- ‘roken; rook’ (IEW 971).

EWN: besmuikt bn. 'heimelijk' (1898)
ANTEDATERING: Daarbij lachte hij zoo besmuikt, als de vos voor het hoenderhok [1844; Zschokke, 49]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

besmuikt* [in stilte, geniepig] {1898} vgl. middelnederlands ondert smuyck [in het geniep], onder smock [in het geheim], van smuken [laag of kruiperig zijn] (vgl. smokkelen1).

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

mieters [vervloekt, later ook: fijn, uitstekend] (1898). De vierde druk van het woordenboek van Van Dale verschijnt in 1898, onder redactie van H. Kuiper, A. Opprel en P. J. van Malssen. Zij zijn de eersten die in een woordenboek woorden opnemen als balkenbrij, behoefte (‘ontlasting’), besmuikt, bomvol, forens, fröbelen, mieters, plee, de bastaardvloek potver en reet (‘billen’).

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

besmuikt* in stilte, geniepig 1898 [GVD]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut