Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

besmetten - (ziektekiemen overbrengen)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

smet znw., mnl. smitte, smette v. “smet, vlek, ziekte, lichaamsgebrek”. = mhd. smitze v. “smet, vlek”, mnd. smitte, smette v. (m.) “smet, vlek, vuil”, ags. smitte v. (smitta m.?) “smet, vlek”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

besmetten ‘ziektekiemen overbrengen; bevuilen’ -> Deens besmitte ‘vies maken; ziek maken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors besmitte ‘vies maken, bezoedelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Sranantongo besmèt ‘ziektekiemen overbrengen’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1794. Wie met pek (pik) omgaat, wordt er mee besmet,

d.w.z. wie met slechte menschen omgaat, neemt iets van hunne eigenschappen over; eene gedachte, die in het mlat. wordt uitgedrukt door: tangentem cacabi maculat fuligo vetusti; si pice tangeris vel tangis, tu maculeris; pix contacta sui manibus palponis adhaeret. In het Mnl. bij Hild. 254, 68: Soo wye dat in den peke roeret, onreynicheit dat hi daer of voeret; Doct. II, 577; Sp. der Sonden (Proza), 58: Die dat pec handelen, sal daer aff besmet werden; Dial. Eggaert, 176: Die bi den pecke wandelt, hi worter bi wilen of besmet; in de Prov. Comm. 254: Die byden picke wandelt wort daer af besmet, pix dum palpatur, palpans manus huic maculatur; Campen, 87: weel mit pick om gaet, an dien cleefdet geerne; hetzelfde als: die mit den croepels omgaet leert wel hincken (Harreb. III, 268); die oly uyt-meet, wert-er vet van; en die ter molen gaet, en kan niet ontgaen, wit te werden (De Brune, Bank. II, 50); vgl. Anna Bijns, Refr. 35: Raect den teerpot niet, oft ghij sult u bepecken; Nieuwe Refr. 25: Diet peck wilt naken, sal hem besmetten; V.d. Venne, 197: Befoolje peck, ghy krijght een vleck; enz. Zie Harreb. III, 315 b; Jez. Sirach XIII, 1; Bebel no. 347; Taalgids V, 181; Villiers, 99; Lat. Versch. 418: Die by het pick wandelt, die wort daer van besmetKantt. op den St.-Bijbel, Jozua 23, 7.; Joos, 150; Villiers, 99; fri.: dy 't mei pik omgiet wirdt er mei bismet; Grimm VII, 1517; Eckart, 399; Wander III, 1200, waar uit zeer vele talen deze uitdr. geciteerd wordt; vgl. hd. wer Pech anfaszt besudelt sich; wer mit Hunden zu Bett geht, steht mit Flöhen auf; eng. who messes with pitch may dirty himself; you can't touch pitch and have clean hands; fr. qui couche avec les chicns se lève avec les puces; on ne saurait manier du beurre qu'on ne s'engraisse les doigts.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut