Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

besje - (oude vrouw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

besje zn. ‘oude vrouw’
Vnnl. besje ‘grootmoeder’ [1628; WNT].
Ontstaan uit bestje ‘id.’, verkleinwoord van best ‘grootmoeder; oude, afgeleefde vrouw’ [1640; WNT], dat een verkorting is van bestemoer ‘grootmoeder’ [bestemoers (genitief) 1617; WNT]. Daarnaast ook bestevaar ‘grootvader, voorvader’ [bestevaer 1616; WNT]; beide met syncope van intervocalische -d-. Het eerste lid in deze samenstellingen is → best.
Westfaals bessemōr; nfri. bestemoer; nde. bedstemor.
Lit.: V. Tuinstra (1940) ‘Enige opmerkingen over composita’, in: NTg 34, 281, noot 2

EWN: besje zn. 'oude vrouw' (1628)
ANTEDATERING: Ay Besje 'hé oud wijfje (letterlijk: grootmoedertje)' [1615; iWNT proper]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bestje znw. o. ook best, besje, bes is een verkorting van bestemoe(de)r ‘grootmoeder, oude vrouw’, vgl. noorw. dial. besta naast de. noorw. bedstemor. Daarnaast verder ofri. bestemoer (zelden) en westf. bessemōr.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

best(je), bes(je) znw. (o). Verkorting van bestemoe(de)r, “grootmoeder, oude vrouw”. Evenzoo noorw. dial. besta “grootmoeder”, naast de. noorw. bestemor “id.”. Vgl. fri. (zeldzaam) bestemoer, westf. bessemôr, noorw. dial. gomor “id.”. Vgl. bij min.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

besje o., voor bestje (z.d.w.).

bestje o., dimin. van de verkorting van bestemoer; cf. ouder bestevaer en Fr. bon-papa, bonne-maman.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

bessie s.nw.
Vlesige, sappige vrug met 'n sagte skil.
Uit Ndl. besje, die verkleinw. van bes (Mnl. besie, bere). Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) en Du Toit (1908) in die vorm bessi. Volgens Du Toit is die verkleinw. uit Ndl. in Afr. oorgeneem, omdat bessies in S.A. nie aangeplant is nie, maar wild voorgekom het en dié soorte maar klein was.
Vgl. D. Beere, Eng. berry.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut