Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beschouwen - (oplettend bezien, beoordelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beschouwen ww. ‘oplettend bezien, beoordelen’
Mnl. bescowen ‘bekijken, doorgronden’ [1240; Bern.].
Een afleiding met → be- van het werkwoord → schouwen ‘bezien’, waarbij ook → aanschouwen.
Mnd. beschouwen; ohd. biscouwōn (nhd. beschauen); ofri. biskāwia (nfri. beskôgje); oe. bescēawian ‘oplettend bezien’.
beschouwing zn. ‘beoordeling, overweging’. Mnl. bescowinge ‘de daad van iets te beschouwen; overweging’ [1240; Bern.]. Afleiding met → -ing. Aanvankelijk werd het woord in zijn letterlijke betekenis gebruikt: ‘het bezien van een concrete entiteit’; later kwam het ook voor in meer overdrachtelijke zin: ‘het beschouwen van iets onstoffelijks’ zoals in een dichterlijke beschouwing. De eerste, concretere betekenis leeft nog voort in dijkschouw(ing) ‘inspectie van de toestand der dijken’ [1566 resp. 1739-95; WNT].

EWN: beschouwen ww. 'oplettend bezien, beoordelen' (1240)
ANTEDATERING: onl. biskouwon 'aanschouwen' in: ... thich herre mach bescǒwen '... jou, Heer, kan aanschouwen' [1151-1200; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beschouwen* [overwegen, houden voor] {bescouwen [opmerken, nagaan] 1201-1250} middelnederduits beschouwen, oudhoogduits biscouwon, oudfries biskāwia, oudengels besceawian, van be- + schouwen1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beschouwen ww., mnl. bescouwen, bescauwen, mnd. beschouwen, ohd. biscouwōn, ofri. biskāwia, oe. bescēawian ‘beschouwen’. — Afgeleid van schouwen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beschouwen ww., mnl. bescouwen (bescauwen). = ohd. biscouwôn, mnd. beschouwen, ofri. biskâwia, ags. bescêawian “beschouwen”. Een alg.-wgerm. samenst. Zie verder schouwen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Beschouwen van schouwen = zien; vgl. de schouw over de dijken, enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beschouwen ‘overwegen; houden voor’ -> Deens † beskue ‘aanschouwen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors beskue ‘gadeslaan, uitzien over’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beschouwen* overwegen, houden voor 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut