Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bescheiden - (weinig eisend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bescheiden bn. ‘weinig eisend’
Mnl. besceden ‘onderscheidend’ [1260-80; CG II, Nibel.], ‘ingetogen, matig’ [1276-1300; CG II, Lut.A].
Afleiding van het verouderde werkwoord bescheiden ‘bepalen, beslissen, onderscheiden’ (waarvan ook → bescheid), dat met → be- is afgeleid van → scheiden ‘afzonderen’. Wrsch. is het een leenvertaling van Oudfrans discret, dat zelf afkomstig is van Latijn discrētus ‘kunnende onderscheiden’, het verl.deelw. van discernere ‘(onder)scheiden’, zie → discreet.
Mhd. bescheiden ‘goed en kwaad kunnende onderscheiden’ [1230] (nhd. ‘bescheiden’); nfri. beskieden, beskeiden.
Lit.: J. Müller (1920) ‘Over ware en schijnbare gallicismen in het Middelnederlandsch’, in: NTg 14, 66

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bescheiden* [ingetogen] {besc(h)eiden [afgescheiden, verstandig, ingetogen] 1276-1300} oorspr. verl. deelw. van het middelnl. ww. bescheiden [afscheiden, bepalen], van scheiden (vgl. onbescheid); de betekenis ‘verstandig, ingetogen’ is ontleend aan latijn discretus [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bescheiden bnw., mnl. besceiden, bescêden ‘met rede begaafd, verstandig, matig, ingetogen’, daarnaast ook ‘bepaald, duidelijk’, vgl. mnd. beschēden, mhd. bescheiden ook in de zin van ‘verstandig’ en ‘matig’. Deze betekenissen zijn beïnvloed door lat. discrētus.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bescheiden bnw., mnl. besceiden, bescêden “met rede begaafd, verstandig handelend, matig, ingetogen”, ook “bepaald” en “duidelijk”. Ook mhd. bescheiden (nhd. bescheiden, vooral oudnhd.), mnd. beschêden = “verstandig” en “matig” komen voor. Oorspr. deelw van ʼt ww. bescheiden. De bett. “verstandig, bescheiden” berusten op invloed van mlat. discrêtus “id.”; het du.-ndl. ww. bescheiden kwam namelijk in verschillende bett. met discernere overeen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bescheiden bijv., eigenl. v.d. van Mnl. besceden (z. bescheid), dus = met bescheid, met oordeel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

besjeie (bn.) ingetogen; Middelnederlands besceden <1260-1280>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bescheiden ‘verstandig, ingetogen’ (bet. van Latijn discretus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bescheiden ‘ingetogen’ -> Fries beskeiden ‘niet vrijmoedig; duidelijk waarneembaar; verstandig’; Deens beskeden ‘ingetogen; klein van formaat’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors beskjeden ‘ingetogen, eenvoudig’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bescheiden* ingetogen 1276-1300 [CG Lut.A]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal