Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

berrie - (draagbaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

berrie zn. ‘draagbaar’
Mnl. berie, berrie ‘baar’ [1250-1300; MNW]; nu nog dialectisch barve ‘handvatsel’.
Nfri. berje; Oost-Fries barf(e) ‘berrie’; oe. bearwe ‘mand’ (ne. barrow ‘kruiwagen’); < pgm. *bar-w-j- ‘baar’. De etymologie is niet onproblematisch. Zo heeft de Middelnederlandse variant berie een open lettergreep en een lange -e-, terwijl de vorm berrie een gesloten lettergreep en een korte klinker vertoont. Een verklaring voor die korte klinker kan een lettergreepscheiding *bar-wiō zijn, met een gesloten eerste lettergreep waardoor geen rekking kon optreden. Voor de vorm met gerekte klinker berie ‘baar’ wordt dan een andere formatie *ba-ri-ja aangenomen, wat niet aantrekkelijk is. Wellicht gaat het hier om reflexen van twee verschillende buigingsvormen.
Het tweede probleem vormt de /ī/ (grafeem -ie) in de auslaut, een probleem dat het woord deelt met → merrie naast de variant mnl. merie (zie ook → bezie naast → bes). Heeroma (1960) verklaart deze -ie uit -iə en vergelijkt als alternatief de (relatief jonge) Texelse dialectvorm tarie ‘tarwe’, met -ie uit een door de voorafgaande /w/ geronde sjwa na /r/.
Wrsch. ontwikkeld uit pie. *bhor-u-i- (IEW 128-132) bij de wortel pie. *bher- ‘dragen’, waaruit ook → baar 1 en → baren.
Lit.: A. Weijnen (1970) ‘Schijnbare geminatie van “r” voor “j”’, in: Naamkunde 2, 154-156; Heeroma 1960, 196

EWN: berrie zn. 'draagbaar' (1250-1300*)
ANTEDATERING: van der berie 'van de draagbaar' [1331; iMNW]
{De attestatie in het EWN moet geschrapt worden. Het lemma berie in het MNW bevat geen attestatie uit 1250-1300.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

berrie* [draagbaar] {ber(r)ie 1340-1350} verwant met baar3, maar het is onduidelijk waar de e vandaan komt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

berrie, burrie znw. v., mnl. berie, berrie, oostfri. barf(e), berve, berrie ‘berrie’, oe. meoxbearwe ‘toestel om mest te vervoeren’. — Uitgangspunt is mogelijk *barwiō; voor de overgang tot de vorm berrie zie K. Heeroma, Ts. 77, 1959-60, 187-202. — Zie: baar 1.

Aan het nnl. zijn ontleend het bremens börje dat ook op vele plaatsen ten O. van de Elbe voorkomt (Teuchert Sprachreste 240).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baar I (berrie), mnl. bâre v. “draagbaar”, speciaal “lijkbaar”. = ohd. bâra (nhd. bahre), os. bâra, ofri. bêre, ags. bæ̂r, bæ̂re (eng. bier) v., de. baare, zw. bår “baar”, een afl. van de basis germ. ƀer-, idg. bher- “dragen”. Zie baren. Het synonieme ndl. berrie, burrie (de laatste vorm in de meeste diall., Maastr. bērie, Oldambt Drente barve), mnl. bērie, berrie v. is wellicht wgerm. *barwiô(n)-, vgl. oostfri. barf(e), berve, berrie “berrie”, ags. meoxbearwe v. “voorwerp om mest in te transporteeren” (eng. barrow “berrie, kruiwagen”); wsch. is mnd. bōre v., ndd. bör(e) = berrie; voor de labiale vokaal vgl. bij barg. Dezelfde vocaaltrap in on. barar v. mv. “berrie”. Nog een andere vorm is hd. dial. bëre v. Eenige der germ. vormen zijn in de rom. talen overgegaan: fr. bière “draagbaar, doodkist”, it. bara “doodkist”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

baar I (berrie). Reeds ozw. bâr v. Het is niet waarschijnlijk, dat mnl. bērie, berrie, ndl. berrie op een grondvorm met -rw- berust, al wijzen de in het art. genoemde ags. oostfri. vormen daarop. Ook mnd. bȫre (zo te lezen i. pl. v. bōre) laat zich eenvoudiger afleiden uit *burjô(n)- en is dus niet identisch met berrie, maar heeft dezelfde ablautsphase als beuren. Ndl. burrie kan deels dial. uit berrie zijn ontstaan, deels = mnd. bȫre zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

burrie v., met u uit e door invloed der r = berrie.

berrie v., Mnl. berrie, berie + Ags. bearwe (Eng. barrow), On. barar, van denz. stam als enk. imp. van *beren (z. baar 3). Hieruit Fr. bière, waarnaar Eng. bier (z. baar 3) gespeld is.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2borrie s.nw.
1. Soort draagbaar om kaf, strooi, vrugte, tabak, ens. mee te dra. 2. Maat wat die hoeveelheid op 'n borrie (2borrie 1) aandui.
In bet. 1 uit Ndl. borrie, 'n gewestelike vorm van berrie (Mnl. berie), 'n wisselvorm van baar 'draagbaar'. Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

berrie ‘(gewestelijk) draagbaar’ -> Duits dialect Börge, Börrie, Börre, Börch ‘draagstel’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut