Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

berouwen - (spijt doen hebben)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

berouw zn. ‘spijt’
Mnl. beru ‘spijt’ [1345; MNW], berou [ca. 1400; MNW], berouwe (accusatief) [1488; MNW].
Gevormd uit het voorvoegsel → be- en het zn. rouw, zie → rouwen.
Ofri. bihrōwe (nfri. berou).
Een oudere vorm is onl. bereuuissi (lees: bereunissi?) [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. berounesse, berowenisse [1276-1300; CG II, Moraalb.]; ook nog bij Kil. 1599 als be-rouwenisse. MNW geeft aan dat berouwenis in latere versies van Middelnederlandse teksten soms vervangen blijkt te zijn door het jongere berouw. De dateringen in het artikel zijn helaas zeer onduidelijk: berouwe [ca. 1410], waar een eerdere versie berouwenesse had, en twee versies van Spiegel Historiael [1350-1450] met berouwenisse resp. berouw.
berouwen ww. ‘spijt (doen) hebben’. Onl. beruuuan, beriiuuan (oorspr. vorm onzeker) ‘spijt hebben’ [10e eeuw; W.Ps.], mnl. berowen ‘spijt doen hebben’ [1290; CG II, En.Cod.], berouwen ‘spijt hebben van’ [1290; CG II, En.Cod.], vnnl. be-rouwen [1599; Kil.]. Afleiding van berouw. Ook ofri. bihriōwsiga, bihriūsiga ‘berouwen’ (nfri. berouwe [1817]). ♦ berouwvol bn. ‘van berouw vervuld’ [1870-76; WNT]. Gevormd uit berouw en het bn.vol. Het Middelnederlands kende in deze betekenis berouwelich (in het zn. berouwelicheit [voor 1400; MNW]) en berouwich: berauwich [14e-15e eeuw; MNW], berouwigh [1488; MNW].

EWN: berouw zn. 'spijt' (1345)
ANTEDATERING: Hi hadde berou [1300-25; MNW-R]
EWN: ♦ berouwen ww. 'spijt (doen) hebben'; de vorm berouwen (1290)
ANTEDATERING: berouwen 'berouw hebben' [1220-40; VMNW]
EWN: ♦ berouwvol bn. 'van berouw vervuld' (1870-76)
ANTEDATERING: een Berouwvolle "Biecht" [1782; Abraham a Santa Clara 1, 257]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

berouwen* [spijt doen hebben] {oudnederlands beruuuan 901-1000, middelnederlands berouwen} van be- + rouwen (vgl. rouw).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

berouwen ‘spijt doen hebben’ -> Negerhollands berouw, berow ‘spijt doen hebben’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

berouwen* spijt doen hebben 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut