Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beroep - (werkkring; appèl)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beroep zn. ‘werkkring; appèl’
Mnl. beroep ‘uitdaging, appèl’ [1292; CG I, 1717]; vnnl. beroep ‘ambt, broodwinning’ [1642; WNT].
Afleiding met → be- van het werkwoord → roepen.
Mnd. berop ‘roeping, beroep’; mhd. beruf ‘roeping’ (nhd. Beruf ‘betrekking’, Berufung ‘roeping’); nfri. berop.
De betekenisontwikkeling is wrsch. beïnvloed door Latijn vocātiō ‘roeping (in geestelijke zin)’, een afleiding van het werkwoord vocāre ‘roepen’, zie → vocaal 1 ‘betreffende de stem’. De Middelnederlandse betekenis ‘uitdaging’ heeft betrekking op de tweekamp waartoe een van een misdaad beschuldigd persoon geroepen kon worden; zie ook → berucht. Eenzelfde ontwikkeling vanuit het grondwoord deed zich in het Middelhoogduits voor. Luther gebruikte het woord tevens in de betekenis ‘ambt’. Het Vroegnieuwhoogduits heeft wrsch. de Vroegnieuwnederlandse betekenisontwikkeling naar ‘broodwinning, werkkring’ beïnvloed.
Als zn. komt het woord in een aantal vaste verbindingen voor: een beroep doen op ‘iemand of iets te hulp roepen’ [1898; WNT]; in hoger beroep gaan ‘zich tot een hogere rechter wenden’ [1898; WNT], te vergelijken met mnl. ziin vonesse beroepen voor scepenen ‘tegen zijn vonnis in beroep gaan bij de schepenen’ [1292; CG I, 356]; een beroep ontvangen ‘door een kerkgemeente uitgenodigd worden om bij haar het ambt van predikant te bekleden’ [1716; WNT].
beroepen ww. ‘appeleren, steun vragen; een predikant uitnodigen voor aanstelling’. Mnl. hem beroepen op ‘een appèl doen op’ [ca. 1400; MNW]; vnnl. een predikant beroepen en beroepen worden ‘een beroep uitbrengen resp. ontvangen’ [1620; WNT]. Afleiding van beroep.

EWN: ♦ beroepen ww. 'appeleren, steun vragen; een predikant uitnodigen voor aanstelling' (ca. 1400)
ANTEDATERING: berupen 'oproepen' [1240; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beroep* [het roepen tot een ambt, werkkring] {1292 in de betekenis ‘gerechtelijke uitdaging’; de betekenis ‘werkkring’ 1642} middelnederduits berōp [roeping, beroep], hoogduits Beruf [oorspr. roeping, dan ook beroep]; alle betekenissen sluiten zich aan bij beroepen, van be- + roepen1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beroep znw. o., mnl. beroep betekent ‘uitdaging’ of ‘appèl’. De huidige bet. van ‘werkkring’ vindt men echter reeds bij Hooft, terwijl mnd. berōp in die bet. al ouder is en de beide betekenissen van ‘roeping’ en ‘beroep’ verenigt evenals laatnhd. beruf. Oorspronkelijk duidde het woord, hierin beantwoordend aan lat. vocatio, gr. klē̃sis aan ‘het door God beroepen zijn aan de heilsgoederen deel te nemen’, dus ‘het beroepen zijn tot de geestelijke stand’; eerst sedert Luther ook gebruikt in wereldlijke zin. In het woord beroep steekt dus ‘het tot een ambt of werkkring beroepen zijn’.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† beroep znw. o. = mnl. beroep o. dat alleen ‘uitdaging; appèl’ betekent. Kil. geeft nog uitsluitend ‘provocatio’. De nnl. bet. ‘werkkring’ evenwel reeds bij Hooft. Mnd. berôp m. betekent al ‘roeping, beroep’. Vroegnhd. beruf m. oorspr. = ‘roeping’, daarna ook = ‘beroep’. Alle bett. sluiten zich aan bij vroegere of latere bett. van † beroepen ww., dat sedert het Mnd. Mnl. voorkomt. Zie roepen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beroep o., in het bet. van bedrijf, staat tot roepen als Fr. vocation, Lat. vocationem (-io) tot vocare = roepen, dus = dat waartoe men zich geroepen gevoelt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

beroop (zn.) werkkring; Nuinederlands beroep <1642>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

beroep’: hoger beroep (het), beroep bij het Hof* van Justitie, dus tevens cassatie. De kantonrechter* had de lijnbus chauffeur veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf plus een geldboete en intrekking van het rijbewijs voor de duur van één jaar. Vandaar dat hij in hoger beroep was gegaan en zijn zaak in tweede instantie voor het Hof diende (WS 6-3-1982).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

beroep ‘roeping tot God’ (bet. van Latijn vocatio)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beroep ‘werkkring’ -> Negerhollands beroep ‘werkkring’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beroep* appèl, herziening van vonnis aan hogere rechter vragen 1292 [CG I3, 1717]

beroep* werkkring 1642 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut