Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

berk - (loofboom uit het geslacht berk (Betula))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

berk zn. ‘loofboom uit het geslacht berk (Betula)’
Onl. in de plaatsnaam Berclar ‘Berkelaar (Limburg NL)’ [midden 11e eeuw; Künzel 85], mnl. in de toenaam Vten Berken ‘van bij de berken’ [1210; CG I, 3], berke ‘berk’ [1275-1300; MNW].
Os. birka, berka; ohd. biricha, birca (nhd. Birke); nfri. bjirk; oe. birce, beorc (ne. birch); on. björk; < pgm. *berk-jō, *berkō ‘berk’.
Verwant met: Sanskrit bhūrjá-; Oudpruisisch berse; Litouws béržas; Oudkerkslavisch brěza (Russisch berëza, Tsjechisch bříza); Ossetisch bärz; bij de wortel pie. *bhrHǵ- ‘berk’ naast pie. *bherHk- ‘stralend, helder’ (IEW 139).
Het opvallendste kenmerk van de berk is zijn helderwitte bast, en wrsch. moet de relatie tussen de boom en de gereconstrueerde betekenis van de Proto-Indo-Europese wortel hierin gezocht worden. Een andere reflex van deze wortel is pgm. *berhta- ‘stralend, helder’, een vorm die terug te vinden is in onl. berht ‘helder’ [10e eeuw; W.Ps.] en namen met -bert; (met metathese) Engels bright ‘helder’ en in Nederlandse persoonsnamen als Albrecht, Engelbrecht, Robrecht.
Aangezien het woord in zoveel verschillende talen voorkomt en bijna overal ‘berk’ betekent, moet het tot de basiswoordenschat van het Proto-Indo-Europees gerekend worden. Berken komen vooral voor in gematigde en arctische klimaten. Het Latijn kent geen eigen woord voor ‘berk’ (Latijn betula ‘berk’ is wrsch. van Keltische oorsprong). Wel wordt Latijn frāxinus ‘es’ door sommigen in verband gebracht met de wortel pie. *bhrHǵ-, die in het Latijn, door het ontbreken van berken in het mediterrane gebied, de betekenis ‘es’ had gekregen. Het Proto-Indo-Europese woord voor → es 1 is een s-stam; mogelijk heeft dit de vorm beïnvloed: deze werd tot pie. *bhrHǵ-s-os > Latijn frāxinus. Mogelijk (maar niet zeker) is ook Latijn farnus, de naam van een, overigens onbekende, boomsoort, een reflex van hetzelfde woord.
Lit.: Schrijver 1991, 106-107/186-187; H. Suolahti Die deutschen Vogelnamen, Straßburg 1909, 251-253; Hoops s.v. Birke par. 2

EWN: berk zn. 'loofboom uit het geslacht berk (Betula)' (midden 11e eeuw*)
ANTEDATERING: in de plaatsnaam Berclaus 'Berkelo (Noord-Frankrijk)' [1040; kopie midden 11e eeuw; ONW]
- berc [1412-15; MNW-R]
{* Bij de datering van de eerste attestatie in het EWN (midden 11e eeuw) moet vermeld worden: kopie 18e eeuw.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

berk* [boom] {in de plaatsnaam Berclar, nu Berkelaar (Nederlands-Limburg) <1050>, berke} oudsaksisch berka, birka, oudhoogduits birka, oudengels beorc, oudnoors bjǫrk, vgl. gotisch bairhts [helder, licht, dus de lichte, met lichte stam]; buiten het germ. russisch berjoza, litouws beržas, oudindisch bhūrja-; de boom is genoemd naar zijn witte bast, vgl. oudnoors bjartr, gotisch bairhts [glanzend].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

berk znw. m., mnl. berke, os. birka, ohd. bircha, birihha, oe. beorc, birce (ne. birch), on. bjǫrk. — lat. farnus, fraxinus ‘es’, oi. bhūrja (< *bhǝrǝgo) ‘berkensoort’, osl. brěza, lit. béržas, lett. bẽrzs, apr. berse, osset. bärz ‘berk’ (IEW 139). De naam duidt op de helder-witte kleur van de bast (Wiedemann IF 1, 1891, 512) en hangt dus samen met het germ. woord *berhta, dat in onze taal verloren gegaan is, alleen relikten in PN als Engelbrecht).

Dit *berhta vinden wij in os. ohd. beraht, oe. beorht, briht, on. bjartr, got. bairhts, vgl. verder: oi. bhrājatē ‘glanzen, stralen’, bhrāja- ‘glanzend, fonkelend’, lit. brekšta, brěkšti ‘aanbreken (van de dag)’, pools brzask ‘morgenschemering’, kymr. berth ‘glanzend, mooi’, iers PN Flaithbertach (IEW 139). — Samenhang met de groep van mnl. barc (Kiliaen: berck(e), barck(e), borck) nog dial. bewaard, vgl. mnd. borke (> nhd. borke), ne. bark, on. bǫrkr ‘schors’, waarop FW 51, ofschoon met twijfel, wijst, is af te wijzen; deze behoren ws. tot de wt. *bher ‘snijden’ (waarvoor AEW 70, waar ook andere verklaringen vermeld zijn). — Zie: bark 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

berk znw., mnl. berke v. = ohd. bircha, birihha (nhd. birke) v., os. birka, berka, ags. beorc, birce (eng. birch), on. bjǫrk v. “berk”.Vgl. vooral russ. berëza, lit. bérżas “berk”, die met de germ. woorden een idg. *bherəĝo-, -â- veronderstellen, waarmee oi. bhûrja- “een soort berk” in regelmatigen ablaut staat (*bherəĝo-). Vgl. verder de boomnamen lat. fraxinus, farnus (*fargnos) “esch”, russ. bérest “olm”, klruss. dial. bʼiłyj bérest “witte berk”. De berk is wsch. (al vroeg-idg.) naar de witte schors genoemd: vgl. got. baírhts, on. bjartr, ohd., os. bër(a)ht, ags. beorht “glanzend, schitterend” (bij ons nog in eigennamen als Engelbert, -brecht), ier. bertach “schitterend, mooi”, lit. bérszta javaĩ “het koren begint wit te worden”, alb. barϑ “wit”, oi. bhrấjate “hij glanst, schittert”. Sommigen brengen hierbij mnl. barc m., Kil. berck(e), barck(e), borck, (“Germ. Sax. Sicamb.”) “boomschors”, nog dial. (ook vla.; in Gron. en Drente speciaal = “eikenschors, run”), mnd. borke v. (waaruit nhd. borke), eng. bark, on. bǫrkr m. “schors”; dit is echter zeer onzeker; wegens de a-vocaal (waaruit dial. ndl. en ndd. e en o; vgl. bij barg) kan ʼt niet in ʼt Germ. bij *ƀer(i)kô- gevormd zijn (ospr. = “berkenschors”; vgl. russ. berësta, -o “berkenschors”: bérest): de verwantschap zou dus hoogstens oerverwantschap wezen en die is niet wsch. te maken. Naast idg. bherêĝ- “schitteren” stond bherěḱ- in gr. phorkón: leukón, polión, rhusón (Hes.), oi. bhrấçate “hij schittert, vlamt” en ook bhelěĝ- (zie blaken) en bheleiĝ- (zie bleek). De genesis van al deze bases is duister, maar ze behooren alle bij den onder bad besproken wortel bhê-. Vgl. nog bles, brasem, bruin.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

berk. De opmerkingen aan het eind van het art. over het verband tussen idg. wortels met -r- en met -l-, in het bijzonder de herleiding van al deze bases tot de bij bad besproken wortel (zie daarover nog bij bad Suppl.), zijn wel wat heel speculatief.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

berk m., Mnl. berke, Os. birka + Ohd. bircha (Mhd. en Nhd. birke), Ags. beorc (Eng. birch), On. bjǫrk (Zw. björk, De. birk) + Skr. bhūrias (= berk en berkenschors), Lit. béržas, Oslav. brěza (Ru. bereza): Idg. wrt. bherɡ; z. ook bark 2.

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Berk (ruwe), Betula pendula
Betula: Latijnse naam voor de berk. Er is ook een uitleg die het woord betula verwant achten aan het Latijnse bat(t)uare dat slaan betekent, gezien het gebruik van berkentwijgen bij het masserend slaan in sauna`s of als bestraffende roede in handen van pedagogen en ouders.
Pendula: dit woord betekent hangend. De takken van Ruwe berk zijn hangend.
Ruwe berk: de ruwe Berk en de zachte Berk dragen hun Nederlandse naam in vergelijking tot elkaar. De zachte Berk heeft twijgen die donzig behaard zijn, de ruwe Berk kent echter een kale droge schors.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

berk* boomsoort 1050 [Prisma NPl.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut