Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

berispen - (terechtwijzen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

berispen ww. ‘terechtwijzen’
Mnl. berespen ‘schelden, straffen’ [1265-70; CG II, Lut.K], Ihesus berispdene ‘Jesus wees hem terecht’ [1399; MNW-P], beruspen ‘bestraffen’ [1458; MNW-P]; vnnl. berispen ‘terechtwijzen’ [1688; WNT], berespen ‘id.’ [1567; WNT].
Afleiding met → be- van een werkwoord *rispen, *respen ‘afkeuren, terechtwijzen’, dat in het Middelnederlands niet meer voorkomt, maar nog wel te vinden is in de Oudnederlandse vervoegde vorm respias ‘jij laakt’ [10e eeuw; W.Ps.].
Mnd. berepsen, berispen ‘berispen’; mhd. berefsen, berespen; nfri. berispje. Zonder voorvoegsel: os. ripson, repsian ‘berispen’; ohd. refsen, repsen, respen ‘kastijden, straffen’; oe. ræfsan, ræpsan ‘berispen’; on. refsa ‘kastijden, straffen’ (nzw. räfsa ‘harken’); < pgm. *rapsian-, *rafsian- ‘bestraffen’. De wisseling van vormen met -ps- en -fs- is het gevolg van het feit dat de oorspr. combinatie -sp- niet onderhevig was aan de Germaanse klankverschuiving; waar -sp- was omgedraaid (zoals in → wesp) vond wel verschuiving plaats: -ps- > -fs-. De variante vormen die hiervan het resultaat waren beïnvloedden elkaar daarna.
Verder misschien verwant met: Grieks eréptesthai ‘plukken’; Albanees rjep ‘uittrekken, beroven’; bij de wortel pie. *h1rep- ‘rukken, grijpen’.
In het Nederlands, en gedeeltelijk ook in het Middelneder- en Middelhoogduits, heeft metathese van -ps- naar -sp- plaatsgevonden, net als in → wesp. De overgang van -e- naar -i- in de stam zou het gevolg kunnen zijn van dialectverschillen (FvW), maar het zouden ook affectieve varianten kunnen zijn (NEW).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

berispen* [laken] {berispen, berespen 1265-1270} middelnederduits berispen, middelhoogduits berespen, ook berefsen, ouder oudsaksisch ripson, oudfries respa, oudnoors refsa.

rispen* [afristen, repelen] {1873} verwant met middelhoogduits repsen; het woord rispen komt zelden voor, behalve in de afleiding berispen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rispen 2 ww. (Zuidnl.) ‘afstropen, afristen’. — Zie daarvoor: berispen.

berispen ww., mnl. berispen, berespen, berepsen, mnd. berispen, mhd. berespen, berefsen, afgeleid van os. ripson, mhd. refsen, repsen, respen, ofri. respa, oe. ræfsan, ræpsan, on. refsa uit een grondvorm *rafsianan. — lat. rapio ‘ruk, roof’, gr. eréptomai ‘pluk, scheur af’, oi. rapas ‘lichaamsverminking’, oiers rap ‘verscheurend dier’, recht ‘plotselinge uitbarsting van toorn’, lit. rẽples ‘tang’, aprepti ‘grijpen’ (IEW 865). — Zie: raf en rafel.

De idg. wt.is *rep ‘rukken, naar zich toe trekken’. Het is moeilijk hiervan te scheiden het on. rispa ‘scheuren’ (waarvoor zie: rijp 1.), daar dit ook wel op *ripsōn zal teruggaan, vgl. wfri. rispje ‘plukken’, nhd. rispeln ‘bijeenschrapen’. Tot een andere stam behoort echter rasp en verwante woorden. — De metathesis van ps > sp vinden wij ook in wesp. — FW 51 wijst er op, dat de wisseling van i en e niet behoeft te wijzen op ablaatstrappen, maar hetzij door dialectische verschillen hetzij door latere vervorming te verklaren is. Met het oog op zw. rufsa ‘stukplukken’ zou ik geneigd zijn te denken aan affectieve varianten van de klinker (vgl. PBB 80, 1958, 16).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

berispen ww., mnl. berispen, berespen (beruspen) “kastijden, schelden, beschuldigen, berispen”. Hiernaast komt nog de oudere vorm berepsen voor. = mhd. berespen, berefsen, mnd. berispen “berispen, bestraffen”, een samenst. van mhd. refsen, repsen, respen “kastijden, straffen, berispen”, os. ripson (niet *hripson) “beschimpen”, ags. ræfsan, ræpsan “berispen”, on. refsa (praet. refsta, refsaða) “kastijden, straffen”, germ. *rafsianan. Os. ripson (onvolledig overgeleverd) en ʼt on. refsaða kunnen secundaire vormen zijn en bewijzen geen w.- en ngerm. *rafsiôn of *refsôn. Ook is het onnoodig, voor de os., mnl. en ndl. vormen met i een oergerm. *refsianan aan te nemen. De i is òf locaal klankwettig ontstaan òf desnoods door vervorming (analogisch?) te verklaren. Voor de formeele ontwikkeling vgl. wesp. Dit ww. heeft een formantische s; vgl. de verwanten ier. rap “every animal that drags to it, ut sunt sues”, lat. rapio “ik grijp snel, roof”, gr. eréptomai “ik pluk af, vreet”, oudlit. aprepti, aprepėti “grijpen”, alb. rjep “ik trek af, beroof”, oi. rápas- “lichaamsgebrek, verminking”, en wellicht uit het Germ. nog ags. rôf “flink”, be-rôfon “zij beroofden”, wsch. ook rafel en verwanten. De oergerm. bet. van *rafsianan was “ranselen, slaan” en deze had zich uit “een snelle grijp-beweging maken” ontwikkeld. Naast idg. (e)rep- stond serep-, sṛp-: gr. harp-ázō “ik roof”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

berispen. Ook ofri. respa ‘berispen’.
Ndd. rispen ‘(vlas) repelen’, vla. rispen ‘afristen, repelen’, ook ‘raspen’ sluiten zich wellicht aan bij mhd. rispe v. ‘struikgewas’, nhd. rispe ‘bloemtros, pluim’, die met lat. crispus ‘krullend’, kymr. crych ‘id.’ verwant zijn. Deze ww. moeten gescheiden worden van ohd. hrëspan ‘plukken’ (zie rasp en Suppl.) en ook van on. rispa ‘scheuren’ (zie rijp) en zijn niet te beschouwen als het simplex van berispen, zoals o.a. Persson Beitr. 335 wil. Over fri. rispje ‘oogsten, afplukken, binnenhalen’ zie rijp Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

berispen o.w., Mnl. id. en berespen, Os. ripson + Ohd. rafsjan (Mhd. berefsen), Ags. ræpsan, On. refsa (Zw. räfsa, De. revse), wordt in verband gebracht met Lat. rapio en rooven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

berispen ‘laken’ -> Fries berispje ‘laken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

berispen* laken 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut