Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

berg - (grote heuvel, hoop)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

berg 1 zn. ‘hoge verheffing’
Onl. berg in de plaatsnaam Berechlinom (verkleinwoord) ‘Bergen, bij Deurle (Oost-Vlaanderen)’ [856; Gysseling 1960, 124], Berega ‘Berg, bij Gent (Oost-Vlaanderen)’ [856; Gysseling 1960, 124], Berchhim ‘Berchem (Oost-Vlaanderen)’ [989; Gysseling 1960, 122], berg ‘berg’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. berch [1240; Bern.].
Os. berg, ohd. berg (nhd. Berg); ofri. berch, berg, birg (nfri. berch); oe. beorg (verouderd ne. barrow ‘grafheuvel’); on. bjarg ‘rots, berg’ (nzw. berg); got. bairgahei ‘bergachtige streek’ (afleiding van het bn. got. *bairgahs ‘bergachtig’); < pgm. *berga- ‘berg, heuvel’.
Verwant met: Sanskrit bṛhánt- ‘hoog’; Avestisch bərəzah- ‘hoogte, berg’; Oudkerkslavisch brěgŭ ‘oever’ (Tsjechisch břeh ‘id.’); Oudiers bri ‘heuvel’ (< *bhh; zie ook Gallisch Brigantes ‘de hogen’); Armeens berj ‘hoogte’; Hittitisch parku- (< *bherǵhu-) ‘hoog’, parkiya- ‘zich verheffen, groeien’; Tochaars pärk- ‘opkomen’ < pie. *bh(e)rǵh- ‘zich verheffen’ (IEW 140-141).
Al in 1727 komt de overdrachtelijke betekenis ‘grote hoeveelheid’ in de zinsnede bergen van angstvallige gedachten voor (WNT). Wrsch. is vervolgens het huidige concrete gebruik in de betekenis ‘stapel, hoeveelheid’ ontstaan: berg kousen; onder eenen berg papieren [1861 resp. 1874; WNT].
Lit.: H. Güntert (1932) Labyrinth. Eine sprachwissenschaftliche Untersuchung, Heidelberg, 30 e.v

EWN: berg 1 zn. 'hoge verheffing' (856)
ANTEDATERING: Als deel van de naam Cranaberga 'Kraanberg (bij Gent)' [814-20, kopie 941; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

berg1* [grote heuvel, hoop] {in de plaatsnaam Berechlinom, nu Bergen (O.-Vl.) <865>, oudnederlands berg 901-1000, middelnederlands berch} oudsaksisch, oudhoogduits berg, oudfries berg, birg, oudengels beorg, gotisch bairgahei [gebergte]; buiten het germ. oudiers brí [heuvel], oudindisch bṛhant- [groot, hoog], oudkerkslavisch brěgŭ [oever].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

berg 1 znw. m. ‘mons’, mnl. berch, onfrank. os. ohd. berg, ofri. berg, birg, oe. beorg, on. bjarg, berg ‘rots, berg’, vgl. got. bairgahei ‘gebergte’. — oiers brī ‘heuvel’ (vgl. gall. VN Brigantes en plaatsn. Brigantia ‘Bregenz’), oi. bṛhant ‘hoog’, av. barǝzah ‘hoog’, arm. barjr ‘hoog’, berj ‘hoogte’, hett. parkus (< *bhrĝhu) ‘hoog’ (IEW 140-1).

De slavische woorden osl. brěgŭ en verwanten vertonen een vorm, die wijst op een idg. *bhregh met velare naast een met palatale cons.; daarom beschouwt men ze wel als ontleend aan een andere taal, aan het germ. (FW 50), aan het illyrisch (Brückner, KZ 46, 1914, 232). Men kan ook met v. Haeringen, Suppl. 16 aan wortelvariatie denken. — Zie verder: burcht.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

berg znw., mnl. berch (gh) m. = onfr. bërg, ohd. bërg (nhd. berg), os. bërg, ofri. bërg, birg, ags. beorg m. “berg”, on. bjarg, bërg o. “rots, berg”, got. *baírg(s), dat blijkens baírgahei v. “gebergte”, formeel een abstractum van *baírgahs “berg-ig”, inderdaad bestaan heeft. Verwant met ier. bri “heuvel”, gall. Brigantes volksnaam = “de hoogen”, arm. barjr “hoog”, berj “hoogte”, oi. bṛhánt- “dicht, dik, vast, groot, hoog”, av. bǝrǝzant- “hoog”. Met het oog op den gutturaal moet obg. brégŭ “oever” (in verschill. talen beteekent slav. *bergŭ ook “heuvel”: klruss. béreh, béŕih, serv. brȉjeg, čech. břeh enz.) ontleend zijn uit het Germ. Eenige ligur. eigennamen, zooals Bergomum houdt men wel voor verwant met berg. Vgl. burcht. — In hooi-berg hebben we een ander woord: Zaansch barg, mnl., mnd. barch m. “bergplaats (voor hooi)”. Ablautend met bergen. Voor ndl. e uit a vgl. erg.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

berg. Uit het Keltisch nog met dezelfde vocaalphase als het germ. woord: kymr. bera ‘hoop’. Slav. woorden, die v. Wijk als ontleend aan het Germ. beschouwt, obg. brěgŭ ‘oever’ enz., houden velen voor oerverwant met het germ. woord: men neemt dan wisseling van palatale en velaire gh aan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

berge (te) bijw. uitdr., opgemaakt uit Mnl. bergen = rijzen, denom. van berg 1, gelijk Mnl. te dale uit dalen van dal; verg. Fr. amont en aval nevens monter en -valer.

berg 1 m. (verhevenheid), Mnl. berch, Onfra. & Os. berg + Ohd. berg (Mhd. berc, Nhd. berg), Ags. beorg (Eng. barrow = grafheuvel), On. bjarg (Zw. bärg, De. bjerg), Go. bairgahei (= gebergte) + Skr. bṛhant- = hoog, Zend bərəzant = hoog, Arm. berj = berg, Oier. N. bri, A. brig = berg, verder Brigantia, Burgundiones, Brigitta: Idg. wrt. bherɡh = hoog zijn; niet verwant met bergen, wel met burg. Osl. brègŭ komt uit het Germ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3berg s.nw.
1. Groot, hoë heuwel. 2. Groot hoeveelheid. 3. Groot stapel of hoop. 4. Moeilike saak, swaar taak, groot moeilikheid.
Uit Ndl. berg (al Mnl. in bet. 1, 1727 in bet. 2, 1769 - 1811 in bet. 3, 1814 in bet. 4).
D. Berg (9de eeu). Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1823 in bet. 1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

berg II: s.nw., mv. berge/(dial.) bêre, “verhewe aardoppervlakte; groot hoeveelheid of stapel”; Ndl. berg (Mnl. berch), Hd. berg, Oeng. beorg, “berg, klipstapel”, Got. bairgahei, “gebergte”.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

berg 'terreinverheffing, heuvel'
Onl. berg 'terreinverheffing, heuvel', mnl. berch, ofri. berch, berg, birg (nfri. berch), os. berg, ohd. berg, oe. beorg, ono. bjarg 'rots, berg', got. bairgahei 'bergachtige streek'. Staat in ablautsverhouding tot burg 'versterkte plaats, burcht', oorspronkelijk ter aanduiding van een versterkte hoogte. Semantische beïnvloeding tussen berg en burg leidde tot varianten van beide grondwoorden in enkele plaatsnamen (vergelijk → Neubourg, → Schoonenburg en → Valkenburg).
Oudste attestaties in plaatsnamen: 858 kopie 11e eeuw Berg (→ Sint_Odiliënberg)1, 918-948 kopie 11e eeuw Bergum (→ Bergen2)2, 10e eeuw te Tafalbergon (ligging onbekend, bij Naarden)3.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 324, 2Idem 84, 3Idem 340.

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Bergen verzetten, het schijnbaar onmogelijke doen, vaak onder inspiratie van een geloof of ideaal; (in een verzwakte betekenis) een flinke inspanning leveren.

Al in de bijbel, in het Nieuwe Testament, wordt deze uitdrukking figuurlijk gebruikt om uit te drukken waartoe het ware geloof de mens in staat stelt. In het Oude Testament is het God die bergen verzet; Job noemt dit bewijs van Gods grote macht in zijn repliek op de rede van een van zijn vrienden, Bildad (Job 9:5, Statenvertaling, 1637). De moderne vertalingen zijn meestal tot het meer letterlijke bergen verplaatsen e.d. overgegaan; de NBV heeft verzetten helemaal niet meer in deze uitdrukking.

Liesveldtbijbel (1526), 1 Korintiërs 13:2. Al conste ick propheteren, ende wiste alle verholentheit, ende alle kennissen, ende hadde alle gelooue also dat ick berghe versette, ende en hadde die liefde nyet, so en ware ic niet.
'Ik drink op de mensen die bergen verzetten' dateert uit 1978 uit Van Vliets show Vandaag of Morgen. (Meppeler Courant, jan. 1995)
Na de vakantie had hij het gevoel of hij weer bergen kon verzetten. (Gehoord, jaren '90)
Er moet méér zijn en wel: iets dat door geen enkel moordzuchtig regime kan worden onderworpen, namelijk: geloof, dat bergen verzet. (Langs wegen van barmhartigheid. Gesprekken met bisschop Bär, 1996, p. 26)

Bergrede, naam van de rede die Jezus op een berg hield over de belangrijkste punten van zijn leer, waaronder de zorg voor de armen; (fig.) rede over sociale politiek.

Matteüs introduceert als volgt zijn weergave van Jezus' rede in de hoofdstukken 5-7: 'Toen hij de mensenmassa zag, ging hij de berg op. Daar ging hij zitten met zijn leerlingen om zich heen. Hij nam het woord en onderrichtte hen: [...]' (Matteüs 5:1-2, NBV). Het woord Bergrede is pas later toegekend aan de toespraak, waarschijnlijk in de vorige eeuw; men gebruikte toen ook de term Bergpreek. Bergrede was onder andere de benaming van een toespraak van de christelijke politicus W. Aantjes, die vooral over sociale rechtvaardigheid in de politiek handelde.

Heerma voelde zich aangesproken door AR-politici als Biesheuvel, Berghuis en Aantjes die in zijn Bergrede de overheid ten tonele voerde als 'schild van de zwakken'. (NRC, feb. 1995)
Op het congres van Epinay in 1971, waar hij [Mitterand] de vele socialistische stromingen wist samen te brengen in één Parti Socialiste onder zijn leiding, sprak hij over de 'ware vijand, de macht van het geld, het geld dat corrumpeert, geld dat koopt, geld dat vermorzelt, geld dat doodt, geld dat ruïneert en geld dat zelfs het geweten van de mensen verziekt.' Die beroemde toespraak was zijn bergrede. (De Volkskrant, 3-6-1999)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

berg (gouden -en beloven) (vert. van Latijn montes auri pollicēri)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Berg (gebergte) komt waarschijnlijk van den Idg. wt. bhergh = hoog zijn. Vermoedelijk ook: burg of burcht (zie echter bergen).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

berg ‘grote heuvel, hoop’ -> Zuid-Afrikaans-Engels berg ‘grote heuvel, gebergte’; Zuid-Afrikaans-Engels berg ‘grote heuvel’ ; Creools-Portugees (Ceylon) berg ‘grote heuvel, hoop’; Negerhollands berg, bergi ‘grote heuvel, hoop’; Berbice-Nederlands berki ‘grote heuvel, hoop’; Sranantongo bergi ‘heuvel’; Surinaams-Javaans bérgi ‘heuvel’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) berg, bergi ‘heuvel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

berg* grote heuvel, hoop 0865 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

208. Iemand gouden bergen beloven,

eene vertaling van het lat. montes auri polliceri, dat bij Terentius, Phorm. 1, 2, 18 voorkomt (vgl. Journal, 249; Büchmann, 359). De zegswijze dateert bij ons uit de 16de eeuw. Zie Van Lummel, 135: Men beloofde hun berghen van gout, d.w.z. stapels, hoopen goud. Voor andere plaatsen zie het Ndl. Wdb. II, 1866 en 1748; vgl. fr. promettre à qqn des monts d'or; promettre monts et merveilles; hd. einem goldene Berge versprechen; eng. to promise a p. whole mountains of gold.

206. De berg heeft een muis gebaard,

d.i. wat veel beloofde is op niets uitgeloopen, eene navolging van Horatius (ad Pison. 139): parturiunt montes, nascetur ridiculus mus (ontleend aan een fabel van Phaedrus, 4, 22), dat herinnert aan het Grieksch ωδινεν ορος, το δ ετεκε μυν. Zie Cats I, 522: Het baren van bergen komt uyt op een muys; De Brune, 229: 't Schijnt dat berghen zullen baeren, en daer zal een muys uyt-varen; Tuinman I, 88; 273; Harreb. I, 47 b; III, 124 a; Ndl. Wdb. II, 1865; Büchmann, 389. Vgl. fr. la montagne a enfanté une souris; hd. der Berg hat eine Maus geboren; eng. the mountain has brought forth a mouse; zie voor andere talen Wander I, 313.

207. Als de berg niet tot Mohammed wil komen, dan moet Mohammed naar den berg gaan.

Men bezigt deze woorden, wanneer iemand niet zeer toeschietelijk is, niet wil toegeven en men zelf dan maar de minste wil zijn. Volgens de legende (die een louter verzinsel is) zou Mohammed een berg bevolen hebben tot hem te komen; toen deze evenwel onbewegelijk bleef staan, zeide hij: Welnu, berg! aangezien gij niet tot Mohammed wilt komen, zal Mohammed zich tot u begeven (Woordenschat, 753; Büchmann, 323). Vgl. dit verhaal in de 18de eeuw bij J. Nomsz, Mengelwerken, Amsterdam, 1782, bl. 233 (zie Nav. XXI, 267; Harreb. III, XLIII; Ndl. Wdb. II, 1865). In het hd. wenn der Berg nicht zum Propheten kommen will, so muss der Prophet wohl zum Berge gehen; eng. if the mountain will not come to Mahomet, Mahomet must go to the mountain; ook in de Bukowina en Galicië: der Berg kam nicht zu Mohammed, so kam Mohammed zum Berg.Zeitschrift des Vereins für Volkskunde XIII, 79.

209. Bergen en dalen ontmoeten elkander niet, maar menschen wel.

Men bezigt deze zegswijze bij een zeer onverwachte ontmoeting. Ze komt bij ons eenigszins anders voor in de 17de eeuw bij De Brune, 224:

 d' Een mensch den ander wel ontmoet,
 Dat gheen gheberght' of heuvel doet.

Huyghens, Hofw. 645: Daer moeten sich, niet Bergen, maer menschen als mijn Bergh; V.d. Venne, 195: Menschen gemoeten malkanderen meer dan de vaste Bergen; Gew. Weuw. III, 17: Huizen en boomen ontmoeten den ander niet, maar menschen wel; Esopus, Het Cremoneesche Vreugdevuur: Immers is 't waar, dat bergen, en daalen malkander niet ontmoeten, maar menschen al. Tuinman II, 102 citeert haar in den tegenwoordigen vorm: Bergen en dalen ontmoeten malkanderen niet, maar wel menschen; dit zegt men van zulke, die malkanderen onverwacht in vreemde gewesten bejegenen en aantreffen; Sewel, 572: Bergen ontmoeten malkander nooit, maar menschen somtyds. Vgl. verder Harreb. I, 47 b; fri.: Bergen mette in-oar net, mar minsken wol; ook Antw. Idiot. 1228: Boomen komen malkanderen niet tegen, maar menschen wel (zoo ook bij Rutten, 35 b; Tuerlinckx, 614); Waasch Idiot. 646 a: Bergen komen malkander niet tegen, maar menschen wel, ik zal mij wreken; evenzoo bij Teirl. 126 in den zin van: ‘wij zullen malkaar nog wel ontmoeten en dan zullen we eens voor goed afrekenen’. De zegswijze is in vele talen bekend; ook in het Arabisch en onder de negers in Suriname en de Deensche Antillen; vgl. D.C. Hesseling, Het Negerhollands der Deensche Antillen, 130: Bergi mit bergi no kan tek, ma twee mens sal tek; Wander I, 312; 313. Vgl. fr. il n'y a que les montagnes qui ne se rencontrent pas; hd. Berge kommen nicht zusammen, aber Menschen wohl.

760. De haren rijzen (of staan) mij te berge,

d.w.z. ten gevolge van schrik, ontzetting en afgrijzen krijg ik een gevoel alsof mijne haren zich oprichten; lat. comae horrent; mihi pili inhorruerunt. Ook in middeleeuwen dat mi alle mine haer upwaert stonden van groten vare (Reyn. I, 2304); al mijn hair staet mi te storme van aen te sien (Reyn. II, 6662). Vgl. ook Job. 4, 15: Een Geest: hy dede het hair mijnes vleesches te berge rijsen; Ps. CXIX, 120; Sart. I, 7, 18: Phocensium execratio. Vervloeckingh dat een 't haer op 't hooft rijst; Vierl. 218: Mijn haer stont mij overeijnde bij maniere van spreken; Hofwijck, vs. 430; 1110; Adam in Ball. vs. 1237: Mijn haer rijst overendt; Lucifer, vs. 1537: Hoe ryzen al myn haeren! Ndl. Wdb. II, 1866; Teirl. II, 6: Zijn haar staat rechte; Wander II, 227: Es stehen (steigen) ihm die Haare zu Berge; das ist haarsträubend; fr. les cheveux se dressent sur la tête; eng. his hair stands on end (or upright).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut