Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bereid - (gereed)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bereiden ww. ‘klaarmaken’
Vnnl. bereiden ‘gereedmaken’ [1240; Bern.]; vnnl. bereyen ‘klaarmaken’ [1605; WNT], bereyt ‘door koken etc. klaargemaakt’ [1688; WNT].
Afleiding met → be- van een algemeen Germaans werkwoord *raidjan- ‘gereedmaken’, waaruit ook mnl. (ge)reden, (ge)reiden ‘klaarmaken’. Hieruit ook → gereed, en zie ook → reeds.
Cognaten bestaan er in de Germaanse talen zowel met als zonder voorvoegsel, ook met → ge-: ohd. bireiten (nhd. bereiten); oe. (ge)rǣdan; on. greiða; got. garaidjan. Als deelwoord ook: mnd. berede, bereide ‘gereed’; ohd. bireiti (nhd. bereit); nfri. ree; oe. (ge)rǣde (ne. ready).
Semantisch nabije cognaten zijn verder: Lets riedu ‘ordenen’ en raids ‘bereid, gereed’. Zie verder → rijden, dat van dezelfde wortel pie. *(H)reidh- is afgeleid.
bereid bn. ‘genegen zijn iets te doen’. Mnl. bereiddt (verl.deelw.) ‘gereed, bereid’ [1265-70; CG II, Lut.K], bereit, bereet ‘gereed, bereid’ [1294; CG I, 2057]; vnnl. be-reed, be-reyd ‘klaar, bereid’ [1599; Kil.], bereid ‘genegen zijn iets te doen’ [1625; WNT]. Verleden deelwoord van bereiden. De bijbehorende betekenis ‘gereed, klaar’ raakte in de 17e eeuw verouderd, ten gunste van de huidige.

EWN: bereiden ww. 'klaarmaken' (1240)
ANTEDATERING: dat her uns bereite 'indien hij ons vertelt' [1201-25; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bereid* [genegen, gereed] {bereit [klaar, gereed, geneigd, bereidwillig] 1285} middelnederduits bere(i)de, oudhoogduits bireiti, waarnaast gereed met ander voorvoegsel, hangt samen met rijden, vgl. hoogduits fertig, nederlands vaardig van varen, vgl. ook reder.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bereid bnw., mnl. bereit, bereet, mnd. berēde, bereide, ohd. bireiti. Voor de afleiding zie: gereed.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bereid bnw., mnl. bereit, bereet (d) “gereed, bereid”. = ohd. bireiti (nhd. bereit) “id.”, mnd. berêde, bereide “gereed”. Naast dit wgerm. *bi-raidia- germ. *(ʒa-)raið(i)a- in mnl. ghereet, ghereit (gebruikelijker dan bereit, bereet) en (vooral noordndl. in fri.-frankische grensdiall.) rêde, reet, reit “gereed, bereid, voorradig” (nnl. ree, rede (reede)), mhd. gereite, mnd. (ge)rêt, (ge)rêde, (ge)reit, (ge)-reide “id.”, ofri. rêde “gereed, voorradig”, ags. (ge)ræ̂de “gereed, vlug, eenvoudig” (eng. ready), on. greiðr “geen moeilijkheden opleverend”, got. garaids “vastgesteld”. Opvallend is de ê van gereed tegenover de ei van bereid. Deels kan dit verschil daaruit verklaard worden, dat vormen uit verschillende diall. in de schrijftaal zijn doorgedrongen: ê voor ei kan vla. zijn. Maar ook in andere streken is de ê wellicht klankwettig in het bijwoord: *-raidô. Ook mnl. (noordndl.) rêde heeft gew. ê. Opvallend is verder, dat mnl. be-, ghereet, be-, ghereit slechts hoogst zelden een onverbogen vorm op -de hebben. We kunnen van een a-stam = got. garaids uitgaan: die zou meteen het ê-vocalisme verklaren. Veeleer echter zijn de ndl. vormen identisch met de du. en ags.: de vormen op t ontstonden, doordat in de verbogen casus -e als uitgang werd gevoeld; dit kon te eerder omdat de deelww. van (be-, ghe-)rêden, reiden ook (be-, ghe-)reet, reit luidden, met verbogen casus op -de. Het bijw. reeds (reeds mnl., hoewel zeldzaam) is met bijwoordelijke s (zie aanstonds) van mnl. rêde, reet (ook: gherêde, alrêde) “vlug, onmiddellijk” gevormd. Voor de bet. vgl. mnd. rêde(n), reide, ang. already “reeds” en oudnhd. bereit, nhd. bereits “reeds”, welk laatste woord bij de vorming van nndl. bereids “reeds” invloed gehad heeft; mnl. bereide bijw. = “bereidvaardig”. Het ww. bereiden, mnl. bereiden, berêden naast ghereiden, gherêden, reiden, rêden (nnl. reden) komt ook in andere talen voor: mhd. bereiten, (ge)-reiten, mnd. (be)rêden, (be)reiden, ofri. birêda, ags. (ge)ræ̂dan, on. greiða, got. raidjan “in orde brengen” (en afgeleide bett.). Deze woordfamilie is verwant met rijden; *raiðia- heeft dus een dergel. beteekenis-ontwikkeling gehad als hd. fertig, zie vaardig. Vgl. nog gerei.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bereid ‘gereed; geen bezwaren hebbende om iets te doen’ -> Fries bereid ‘gereed; geen bezwaren hebbende om iets te doen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bereid* gereed 1301-1325 [MNW]

bereid* genegen 1400 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut