Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beraden - (zich)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

beraden (zich) ww. ‘overleg plegen’
Mnl. deliberare. losmaken uel beraden [ca. 1320; Claes 1982, 218], hem beraden ‘beraadslagen’ [begin 15e eeuw; MNW].
Afleiding met → be- van het sterke werkwoord → raden ‘adviseren’.
Mnd. beraden ‘voorzien van’, (wederkerend) ‘overleggen’; ohd. birātan ‘voorzien van’ (nhd. beraten ‘overleg plegen; adviseren’); ofri. birēda ‘overleggen’ (nfri. (jin) beriede ‘zich beraden, bezinnen; van besluit veranderen’); oe. berǣdan ‘ontnemen’.
beraad zn. ‘overleg’. Mnl. beraet ‘beraadslaging’ [1265-70; CG II, Lut.K], beraet ‘besluit’ [15e eeuw; MNW]; vnnl. beraad ‘overleg, beraadslaging’ [1576; WNT]. Afleiding van beraden.

EWN: beraden (zich) ww. 'overleg plegen' (ca. 1320)
ANTEDATERING: onl. birādan 'aanraden' in: her beriet thie grimmen thiet 'hij gaf dat boosaardige volk als raad' [1151-1200; ONW]
Later: beraden 'bijstaan' [1200; VMNW] (EWN: ca. 1320)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beraden (zich), ww., mnl. hem berâden ‘beraadslagen, overleggen’, mnd. berāden, mhd. berāten ‘beraadslagen’, vgl. ook met andere betekenis ohd. birātan ‘volop voorzien van’, oe. berædan ‘verraden’. — Zie: beraad.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beraden (zich) ww., mnl. hem berâden “beraadslagen, overleggen”. Eveneens refl. komen voor: mhd. berâten (nhd. beraten), mnd. berâden, ofri. birêda “id.”. Dit ww. is zoowel refl. als niet-refl. in de wgerm. diall. ook in allerlei andere bett. bekend. Uit de oudere diall. vgl. ohd. birâtan “volop voorzien van”, ags. beræ̂dan “verraden, door verraad berooven of in zijn macht krijgen, beraadslagen”. Bij zich beraden ’t znw. beraad o., mnl. beraet(d), mhd., mnd. berât o. “overleg”. Zie verder bij raad.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

beraden. Bij beraad toe te voegen: ofri birêd m. ‘beraadslaging’. Mnd. berât o. en m.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beraden (zich) ‘overleggen (met zichzelf)’ -> Deens beråde ‘raad inwinnen; zich bezinnen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors berå (ouder: beråde) (seg) ‘raad inwinnen; zich bezinnen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal