Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bengel - (deugniet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bengel zn. ‘deugniet’
Vnnl. benghel ‘stok, knuppel; lomperd, deugniet’ [1599; Kil.]. Oorspr. duidde bengel een instrument aan om mee te slaan; later werd het overdrachtelijk gebruikt voor ‘iemand die met een grote knuppel slaat en dus grof is’. Een analoge ontwikkeling vindt men bij → vlegel. In het Duits is bij beide woorden hetzelfde gebeurd. Een andere mogelijkheid is dat bengel evenals → knuppel in figuurlijke zin het mannelijk lid kon aanduiden en vervolgens tot scheldwoord is geworden, zoals bij → lul.
Gevormd met het Proto-Germaanse achtervoegsel *-ila, waarmee o.a. namen van werktuigen werden gevormd (zie → beitel), bij een werkwoord dat ‘slaan’ betekende, zie ook → bang 2.
Mnd. bengel ‘jonge man, lummel’; mhd. bengel ‘knuppel’ (nhd. Bengel ‘brutaal jongetje’); nfri. bingel, bongel; < pgm. *bang-ila- ‘dat waarmee men slaat’, bij pgm. *bangan- ‘slaan’ (waaruit Engels bang ‘slaan’ en on. banga ‘slaan’).
Verwant met Oudiers bongid ‘hij breekt’, behorend bij de wortel pie. *bhe(n)g- ‘stukslaan, breken’ (IEW 115), een klanknabootsende vorming.
Er bestond ook een Middelnederlands woord benghel ‘halsbeugel, halsblok (van dieren)’ [MNHW], bungel (ablautvorm) ‘id.’ [1477; Teuth.].
Een afleiding van bengel in de oude betekenis ‘knuppel, stok’ is → bengelen.

EWN: bengel zn. 'deugniet' (1599)
ANTEDATERING: eenen benghel onder den gordel hebben 'een knuppel onder de gordel hebben' [1562; Deux-Aes, Deut 23:13 noot]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bengel* [deugniet] {bungel [halsbeugel, blok aan de hals van dieren] 1477, benghel [balk, stok, knuppel, dwaas] 1599} middelhoogduits bengel [knuppel, nu ook lummel]; het woord is afgeleid van middelnederlands bungen, bongen [op de trom slaan, ook in erotische zin], engels bang [kloppen, slaan], oudnoors banga [slaan], nederduits bangen [slaan]; het woord is klankschilderend gevormd. De betekenisovergang van ‘stok’ naar ‘ondeugd’ is vergelijkbaar met die in knuppel en vlegel.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bengel

Een bengel is een kwajongen die kattekwaad uithaalt. Het is een vriendelijk scheldwoord, heel wat vriendelijker dan zijn collega: vlegel, waarmee het overigens merkwaardige punten van overeenstemming heeft. Een bengel is oorspronkelijk: een knuppel. Dit blijkt nog duidelijk uit het Engelse to bang: slaan, ranselen. Men vindt het ook in de betekenis: klepel en in die van deugniet. Precies dezelfde overgang toont het woord vlegel. Het Latijnse flagellum betekent: zweep en ook: dorsvlegel; daarvan stamt ons vlegel en ook het Franse fléau af. Dat woorden die zaken aanduiden, ook voor personen worden gebruikt, is een veel voorkomend verschijnsel. Men denke aan: zwabber, dweil, schoelje, slet, slons, dronkelap enz.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bengel znw. m., mnl. benghel, binghel, bunghel ‘halsbeugel, halsblok (van dieren)’, bij Kiliaen benghel ‘balk, stok, knuppel’, maar ook ‘homo stupidus, truncus, caudex’, in nnl. dial. bengel, bingel, bongel, bungel ‘knuppel, klepel, blok aan poot of hals van een dier, schommel, oorhanger; deugniet’, mnd. bengel ‘jonge man, kerel, lummel’, mhd. bengel ‘knuppel’ (nhd. ook ‘lummel, bengel’), on. bǫngull bijnaam, eig. ‘knuppel’, ne. dial. bangle ‘knuppel’. — Men moet uitgaan van de bet. ‘knuppel’, want het is een afleiding van een ww. nd. bangen, ne. bang ‘kloppen, slaan’, on. banga ‘slaan, hameren’ (waarnaast ook vormen met een k zie: bonken).

Ofschoon verwantschap met de idg. wortel *bheng ‘stukslaan, stukbreken’ (oi. bhanakti ‘breken’), wel zeer voor de hand ligt, is men toch geneigd, hier aan een klanknabootsing te denken (IEW 115). Met recht; het ligt geheel in de lijn van de idg. wortelvariaties, dat naast *bheng ook *bhengh voorkomt; het is bovendien een algemeen verschijnsel in het germ. dat scherpe en zachte cons. met elkander wisselen, zo dat men zeker mag uitgaan van een oorspr. betekenis ‘slaan, kloppen’ en niet van ‘een slaand, kloppend geluid maken’. Bengel is dan het voorwerp waarmee men slaat; uitgang -ila als in beitel, breidel, sleutel enz. — Het is zeer algemeen, dat namen van korte, knoestige stukken hout overdrachtelijk voor jonge mensen en kinderen gebruikt worden. — zie: knaap, vlegel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bengel znw. Kil. benghel 1. “fustis, stipes, baculus, sparus, sparum”, 2. “rusticus: et homo stupidus, truncus, caudex”, mnl. benghel, binghel, bunghel m. “halsbeugel, halsblok (van dieren)”. Nnl. dial. bengel, bingel, bongel, bungel = “knuppel, klepel, klokje, ijzer of blok aan den poot of hals van een dier, schommel, oorhanger, deugniet, bengel”. = mhd. bengel m. “knuppel” (nhd. bengel ook “lummel, bengel”). De. bengel, zw. bängel “bengel, lummel” komen uit het Duitsch: het On. bezat evenwel het woord bǫngull m. als bijnaam. De oudste bet. is “knuppel”, want bengel hoort bij ’t ww. eng. to bang “slaan, ranselen”, on. banga “slaan”; vgl. ook mnl. bonghe, mhd., mnd. bunge v. “trommel”. De germ. basis ƀaŋʒ-, ƀuŋʒ- “slaan” herinnert aan ƀaŋk-, ƀuŋk- “id., breken” (zie bank I), waarvan uit andere idg. talen verwanten zijn aan te wijzen. Wellicht is ƀaŋʒ-, ƀuŋʒ- een (analogische?) vervorming hiervan, die al vroeg als onomatopoëtische basis werd gevoeld. Ďan zijn een deel der ndl. bijvormen van bengel wsch. jong (vgl. bij boemelen). Het afgeleide nndl. ww. bengelen, bungelen gew. “heen en weer schommelen “, bungelen ook “slenteren” is voor ons taalgevoel ook onomatop. Dial. (Kampen) komt ook bongelen voor, in ’t Wvla. bingbongen “heen en weer bengelen”. Kil. kent benghelen slechts in de bet. “afranselen”, die zich bij benghel “knuppel” aansluit. Het is geheel onnoodig voor de bet. “deugniet” invloed van een zig. bengel “duivel” aan te nemen: vgl. vlegel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bengel. Adde: mnd. bengel m. ‘jongmens, kerel (ongunstige bijbetekenis)’. De. bengel, zw. bängel zijn uit het Nederduits afkomstig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bengel m. (klok, knuppel, lomperd), in alle bet. stam van bengelen, frequent met e = ä van een ww. dat zich vertoont in ’t Hgd. als bangen, Eng. to bang, On. banga = zwaaiend slaan + Lit. bože = dorschvlegel (z. bonk).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

bengel: deugniet; gemene kerel. Betekent eigenlijk ‘halsbeugel; blok aan de hals van dieren’. Syn.: belhamel*.

Weergasche bengel! je zou een ongeluk krijgen eer je ’t wist. Vooruit, na je moeder, laat die je opknappen! (Anna van Gogh-Kaulbach, In het bloembollenland, 1904)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Bengel, Bengelen. De grondbet. van bengel schijnt die van stok, knuppel te zijn (Ki1. fustis, stipes, baculus); in ’t mnl. niet voorkomend. In Geld. Placaatb. 1, 292: “Haar honden gebengelt. . . mit eynen grooten sleypenden bengel van den eersten dach April tot enz.” (1563). In germ. dialecten bepaaldelijk voor dorschvlegel. Uit die bet. van knuppel kwam die van lomperd, pummel (evenals bij vlegel), gemeene kerel en in verzwakten zin stouterd, deugniet. De bet. van klok (niet klepel) zal waarschijnlijk eerst uit het ww. bengelen zijn gevormd als abstract van de werking, en dan concreet: “de bengel gaat”. Nog over in den naam van het bekende café in Amsterdam: De beursbengel.
Het ww. bengelen gevormd van bengel = stok, knuppel, heeft blijkens bovengenoemde plaats beteekend: van een bengel voorzien, en verder slaan, voortjagen door slaan, en dan verder plagen, maar ook, hetzij door de bet. van bengel = de stok aan den hals van een hond gebonden, hetzij door die van een deel van een dorschvlegel, de bet. van slingeren. Uit het slingeren van den klepel in den klok, kwam de bet. bellen voort (of heeft men den klepel ook bengel genoemd? hiervoor is geen bewijs.)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bengel (klok of knuppel) komt van een Nederduitsch woord bangen = slaan, kloppen. (Eng. to bang = slaan.) Uit de bet. van bengel = een stok om te slaan, ontwikkelde zich het begrip van lomperd (vgl. vlegel), bijv. een bengel van een jongen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bengel ‘(verouderd) stok; deugniet’ -> Deens bengel ‘deugniet; hendel van een pers’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Noors bengel ‘deugniet’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bängel ‘deugniet’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bengel* deugniet 1635 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

201. Een bengel van een jongen.

De oorspr. bet. van bengel is stok, knuppel en vandaar bij overdracht een lomperd, gemeene kerel, deugniet, guit; vgl. een vlegelOf moeten wij, met R.A. Kollewijn, een overdracht aannemen van den naam van een door iemand gebruikt werktuig op hem zelf? Dus hier op dorschvlegels hanteerende boeren? Vgl. bijltje, scheepstimmerman. Zie Taal en Letteren XI, 278., bonk, knoet, knevel, schoft, een gaffel van een jong (Bergsma, 117); het mnl. en 17de-eeuwsche schudde (gaffel, schurk) en het 17de-eeuwsche loer (zie iem. een loer draaien). Vgl. Draaijer, 7: 'n Hele bungel van 'n jonge, een plompe, groote jongen; fri. in bingel; hd. ein Bengel; en zie Ndl. Wdb. II, 1797; Franck - v. Wijk, 49. Gelijksoortige beteekenisovergangen vertoonen ook Limb. prengel, dikke knuppel, stevige jongen; het fr. palot, schop, spade; lomperd, vlegel; nd. slêf (fri. slêf), lepel en lummel; hd. Hunke, been en schurk; Flätz, vlegel en lomperd (zie Kluge Wtb.7 139). Vgl. no. 220.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut