Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

benevens - (daarenboven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

benevens vz. ‘daarenboven’
Mnl. aldus quamen si beneuen / een forest ‘aldus kwamen zij in de buurt van een woud’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.], beneffens ‘naast, langs’ [ca. 1470; MNW]; vnnl. be-neuen, bij-neuen ‘(er)naast’ [1599; Kil.], beneven ‘en daar nog bij’ [1569; WNT], beneffens ‘daarbij, daarenboven’ [1612; WNT]; nnl. benevens ‘met daarenboven’ [186; WNT].
De huidige vorm benevens ontstond met het achtervoegsel → -s uit mnl. beneven ‘naast, langs’, dat gevormd is uit pgm. *bi- (zie → bij 1) en *niban- (zie → nevens, waarbij Duits neben ‘naast’).
Mnd. beniven, benevens(t) ‘naast, behalve; ernaast; bovendien’; nfri. beneffens.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

benevens* [alsmede] {1624} met het bijwoorden vormende achtervoegsel s gevormd van middelnederlands beneven [naast, nabij, benevens] {1265-1270} van be- + neven.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bang

Bang is een wat wonderlijk woord. Het is verwant met angst en met eng. Maar waar komt die b dan vandaan? Wij moeten uitgaan van een woord ang dat in het Middelnederlands voorkwam, in de 17e eeuw nog zeer gewoon was, in de 18e eeuw nog wel gebruikelijk, maar dat nadien is verouderd. Oorspronkelijk was het een bijwoord en werd het in onpersoonlijke zegswijzen gebruikt. Men zeide: het werd hem ange, het doet hem ange voor: het kwelt hem, het benauwt hem. Voor dit bijwoord ang kwam veelvuldig het voorzetsel be- te staan en beide woorden zijn tot een geheel samengesmolten, zoals ook gebeurd is met woorden als: behalve, benevens, benoorden, binnen (samenhangend met in) en buiten (samenhangend met uit).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

benevens voorz., met bijw. s gevormd van mnl. beneven ‘naast, langs, nabij, in tegenwoordigheid van, benevens, met’, gevormd uit het voorvoegsel be- en neven, waarvoor zie: nevens.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

benevens bijw. en voorz. Met adverbiale s van ’t nu verouderde beneven, mnl. benēven voorz. en bijw. “naast, langs, nabij, in tegenwoordigheid (van), benevens, met” (als bijw. vooral hier beneven, daer beneven.). Uit be+ nēven, vgl. nevens. Evenzoo mhd. benëben, mnd. benēven, beneffens bijw. voorz. “naast”.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

benevens* voorzetsel 1624 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut