Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

benepen - (benauwd, bekrompen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

benepen bn. ‘benauwd, bekrompen’
Vnnl. benepen ‘benauwd’ [ca. 1600; WNT aanminnig]; nnl. benepen ‘bekrompen’ [1956; Dale Hwb.].
Verl.deelw. van benijpen ‘benauwen, beknellen’, een afleiding met → be- van → nijpen, mnl. nipen ‘knijpen’ [1450-1500; MNW]).
Uit de betekenis ‘bekneld, ingeperkt’ ontwikkelde zich die van ‘beperkt’, die later ook overdrachtelijk werd gebruikt.

EWN: benepen bn. 'benauwd, bekrompen' (ca. 1600)
ANTEDATERING: eerst benepen 'in het nauw gebracht (scheepsterm)' [1581; Geuzenliedboek, 220]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

benepen* [benauwd] {1621} verl. deelw. van benijpen, van be- + nijpen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

benepen

Onder benepen verstaat men: benauwd, niet vrijmoedig, eng, nauw, kleinzielig. Men spreekt van een benepen gezicht, een benepen stemmetje, een benepen opvatting.

Eigenlijk is benepen het voltooide deelwoord van een in onbruik geraakt werkwoord benijpen, samenstelling van nijpen. Naast nijpen (nijpende kou, nijptang) staat knijpen, zoals knikken naast nikken en knippen naast nippen. Men kan ook vormen als het Engelse knife en het vroegere Nederlandse nijf, Middelnederlands cnijf vergelijken.

Wat benepen is, is dus beklemd, samengedrukt, be-nauw-d. Daaruit zijn de tegenwoordige betekenissen gemakkelijk af te leiden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

benepen bnw., eerst in de 17de eeuw als deelw. van het ook jonger gevormde benijpen ‘benauwen, beknellen’. — Zie: nijpen. — > nhd. benepen van een schip, dat aan de grond vastgelopen is en eerst bij vloed loskomen kan (sedert de 18de eeuw, vgl. Kluge, Seemannssprache 1911, 86).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† benepen bnw., niet bij Kil., wel 17e eeuw, oorspr. verl. deelw. van het eveneens bij Kil. ontbrekende en in de 17e eeuw voorkomende ww. benijpen ‘beknellen, benauwen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

benepen* benauwd 1599-1607 [Kil.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut