Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

benedictijn - (monnik in de orde van Sint-Benedictus)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

benedictijn zn. ‘monnik in de orde van Sint-Benedictus’
Nnl. Benedictinen (mv.) ‘benedictijner monniken’ [1644; WNT orde], Benedictijner (bn.) [1710; Marin], benedictijner (zn.) [1847; Kramers], benedictijn [1843; WNT Aanv.].
Eponiem, naar Benedictus van Nursia, die ca. 529 de eerste kloosterorde van de westerse kerk stichtte en de kloosterregel Regula S. Benedicti schreef. Benedictus betekent ‘(de) gezegend(e)’, verl.deelw. van Latijn benedīcere ‘zegenen, prijzen, goede dingen zeggen (over)’, gevormd uit het bw. bene ‘goed, wel’ bij het bn. bonus ‘goed’, zie → bonus, en dīcere ‘zeggen’, dat verwant is met -tijgen in → aantijgen, en waaruit ook bijv.dichten 2 ‘poëzie schrijven’. Zie ook → gebenedijd.
Benedictijner als vorm voor het zn. wordt wel beschouwd als een germanisme, evenals bijv. kapucijner bij → kapucijn. De eerste attestaties betreffen evenwel altijd de combinatie Benedictijner monnik, zodat de vorm benedictijner ook heel goed zonder invloed van het Duits als zn. kon worden geïnterpreteerd.
benedictine zn. ‘zekere likeur’. Nnl. benedictine ‘id.’ [1912; Sijs 2001]. Ontleend aan Frans bénedictine [1878; Rey], genoemd naar de Benedictijnen van Fécamp in Normandië, die voor de Franse Revolutie deze likeur stookten. ♦ benedictines zn. ‘benedictijner non’. Nnl. Benedictinessen (mv.) ‘benedictijner nonnen’ [1826; WNT Aanv.]. Nederlandse afleiding bij benedictijn met het achtervoegsel → -es, zoals augustines bij augustijn.
Lit.: Grauls 2001, 37

EWN: benedictijn zn. 'monnik in de orde van Sint-Benedictus' (1644)
ANTEDATERING: Benedictijn ende naemaels Cartuser [1500; Leeringe, 33]
EWN: ♦ benedictine zn. 'zekere likeur' (1912)
ANTEDATERING: "Benedictine" 'zekere likeur' [1866; Java-bode (KB) 14/4]
EWN: ♦ benedictines zn. 'benedictijner non' (1826)
ANTEDATERING: eerst Benedictinerssen [1807; Smet, 350]
Later: d'abdye vande Benedictinen ofte Benedictinessen [1815; Diericx 2, 594] (EWN: 1826)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

benedictijn [monnik] {1824} genoemd naar Benedictus van Nursia († 547).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

benedictijn monnik van de orde van Sint-Benedictus 1644 [WNT orde] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut