Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ben - (mand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ben zn. ‘tenen mand’
Mnl. benne ‘mand’ [1430; MNHWS], in de samenstelling bennevisch ‘vis die per mand wordt verkocht’ [15e eeuw; MNW]; vnnl. benne ‘tenen mand’ [1599; Kil.]; nnl. ben.
Ontleend aan Oudfrans benne ‘korf, mand’, banne ‘dekzeil, korfwagen’ < vulgair Latijn *benna ‘id.’ < Gallo-Romaans benna (< *bhend-nā; Welsh benn) ‘tweewielige kar met gevlochten korf’, verwant met → binden.
Lit.: Frings 1932, 82

EWN: ben zn. 'tenen mand' (1430)
ANTEDATERING: benne 'ruif' [1345; MNHWS]
Later: een ben visch [1630; iWNT visch] (EWN: z.j.)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ben [tenen mand] {benne 1430} < frans banne, benne, oudengels binn, middeleeuws latijn benna, banna, ven(n)a, vinna [visfuik, een door een kering afgesloten stuk water] < latijn benna [Gallische wagen met een carrosserie van vlechtwerk], uit het kelt., vgl. welsh benn [wagen], verwant met binden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ben 1 znw. v. ‘tenen mand’, mnl. benne v. m. ‘mand, ruif’, vgl. zwits. benne v. ‘kast van een wagen of slede’ < fra. benne ‘korf, mand’, banne ‘dekzeil, korfwagen’, ital. benna ‘soort van slede’ < vulg. lat. benna < gall. benna ( *bhendhnā) ‘tweewielige kar met gevlochten korf’ (Festus).

v Haeringen, Suppl. 16 wijst er op, dat de verbreiding in Duitsland overname uit het gallisch bewijst; het woord komt voor in Zwitserland, de Elzas, Würtemberg en Oostenrijk, hier en daar ook in het Rijnland. Het optreden in Brandenburg is te verklaren door immigranten uit Zuid-Brabant (H. Teuchert, Sprachreste 1944, 367-8). — Frings Germ. Rom. 1932, 89 wijst er op, dat het gallische woord in zijn beide betekenissen ontleend werd, maar in verschillende delen van het duitse taalgebied en wel 1. ‘gevlochten wagenbak’ in het Zuidduits van Elzas tot Stiermarken, maar 2. ‘korf’ van de Elzas tot aan Nederland.

bun 2 ‘mand’ met dial. u naast ben 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ben II znw., mnl. benne v. m. “mand, ruif”. = nhd. (zwits.) benne v. “kast van een wagen of slede”. Wordt afgeleid uit het Rom.: vgl. fr. banne “dekzeil, korfwagen”, benne “korf, mand”, it. benna “korfslede”; deze woorden gaan op vulgairlat. benna terug, dit op gall. benna “genus vehiculi”. Ags. binn, binne v. “korf, krib” (eng. bin beteekent “kast, bak”) wordt gew. ook voor een leenwoord gehouden. ’t Zou echter ook oerverwant met het kelt. woord kunnen zijn. Ook bij ndl. ben is die mogelijkheid niet uitgesloten. Over de verwanten zie beun.

bun II. = ben II. Met dial. u.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ben II znw. De verbreiding van het woord over het duitse taalgebied wijst op de keltische herkomst. Behalve in Brandenburg, waar het blijkbaar door nederl. immigranten is ingevoerd (vgl. hermoes Suppl.), komt het namelijk alleen in Zwitserland, de Elzas, Zuid-Wurtemberg en Oostenrijk voor, met resten in het Rijnland: Teuchert Festschr. Kluge 148; Frings Germ. Rom. 89.
In de Nederlanden is het echter niet beperkt tot de gebieden, waarvan men gewoonlijk aanneemt, dat zij door Kelten zijn bewoond geweest: ook in de noordelijke en oostelijke diall. en het Fries komt het woord voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ben 1 v. (mand), Mnl. benne + Hgd. benne, Eng. bin + Gallisch benna (waaruit Mlat. benna en verder It. benna, Fr. benne, banne).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ben (Brabants) ‘ruif, voorstal’ (Keltisch )
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ben ‘tenen mand’ -> Duits dialect Benne, Ben ‘mand; ruif voor schapen, koeien en paarden’; Deens bende ‘mand voor het vangen van slakken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ben tenen mand 1430 [HWS] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut