Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beloven - (toezeggen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beloven ww. ‘toezeggen’
Mnl. belouen ‘toezeggen’ [1240; Bern.], hebben si ... beloeft ‘hebben zij beloofd, verzekerd, toegezegd’ [1269; CG I, 134], beloofde ‘deed een plechtige gelofte’ [1285; CG II, Rijmb.], belouen ‘loven, danken’ [1285; CG II, Rijmb.]. Eerder bestond al geloven ‘beloven’ [1236; CG I, 22].
Afleiding met → be- van het werkwoord → loven in de betekenis ‘beloven, zich verbinden’, zoals die ook te vinden is in → verloven.
In het Engels vond een gelijkaardige ontwikkeling plaats: ne. believe ‘geloven’, met voorvoegsel be- dat ouder ge- ging vervangen: oe. gelēfan ‘geloven’ (zie → geloven). Voorts mnd. beloven ‘beloven, verloven’; ofri. bilovia (nfri. belove).
belofte zn. ‘toezegging’. Mnl. belofte ‘id.’ [ca. 1475; MNHWS], ouder al belof [1285; CG II, Rijmb.]. Afleiding van beloven met het achtervoegsel → -te.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beloven* [toezeggen] {1201-1250 in de betekenis ‘een plechtige belofte of gelofte doen, prijzen, geloven’} van be- + loven [prijzen, instemmen met, zich verbinden tot, borg zijn].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beloven ww., mnl. belōven ‘beloven, gelofte doen’, mnd. beloven, ohd. gilobōn, evenals geloven een samenstelling van mnl. lōven ‘beloven, zich verbinden’, mnd. loven (vgl. ook mnl. lovede, loofte, lofte, mnd. lovede, lovete, lofte ‘belofte, gelofte, overeenkomst’; vooral noord-ndl.) — Zie verder: lof en loven.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beloven ww., samenst. van loven. Mnl. belōven en ghelōven “beloven, een gelofte doen, verzekeren” komen beide voor. Vgl. uit andere germ. talen: ohd. gilobôn “goedkeuren” (nhd. geloben), gilubida v. “overeenkomst, goedkeuring” (nhd. gelübde o.), mnd. be-, gelōven “beloven, een gelofte doen”, be-, gelof, belofte “belofte (gelofte)”, ofri. bilovia, lovia “beloven, vaststellen”, lovethe v. “placitum” (vgl. ohd. gilubida). Mnl. lōven in de bet. “beloven, zich verbinden tot” en vooral lōvede, loofte, lofte v. (o.) “belofte, gelofte, overeenkomst” zijn vooral noordndl., in overeenstemming met de fri. vormen zonder ge- en mnd. lōven, lōvede, lōvete, lofte o. (v.) in dezelfde bett. Het znw. beteekent in het Mnd. ook “verloving”; vgl. Kil.’s meedeeling, dat deze bet. “Sax. Sicamb.” is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beloven o.w., Mnl. id. + Mhd. beloben, van loven met de bet. als lief aannemen, goedkeuren, toestemmen (z. lief, loven en geloven). Als beloven bestond, heeft men belofte gevormd, naar het model van gelofte (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

belaove (ww.) toezeggen; Vreugmiddelnederlands belouen <1240>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

blo I: – (dial. v.) beloof/belowe – , hoofs. in uitdr. slae – ; Ndl. beloven (Mnl. beloven), met voorv. be- + loven, Hd. loben, Eng. love, wat verderop verb. hou met lief en liefde.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beloven ‘toezeggen’ -> Fries belove ‘toezeggen’; Deens love ‘toezeggen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors † belove ‘toezeggen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds loven ‘toezeggen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands belof, blōf, beloof ‘toezeggen; verloven’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † blof ‘toezeggen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beloven* toezeggen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

208. Iemand gouden bergen beloven,

eene vertaling van het lat. montes auri polliceri, dat bij Terentius, Phorm. 1, 2, 18 voorkomt (vgl. Journal, 249; Büchmann, 359). De zegswijze dateert bij ons uit de 16de eeuw. Zie Van Lummel, 135: Men beloofde hun berghen van gout, d.w.z. stapels, hoopen goud. Voor andere plaatsen zie het Ndl. Wdb. II, 1866 en 1748; vgl. fr. promettre à qqn des monts d'or; promettre monts et merveilles; hd. einem goldene Berge versprechen; eng. to promise a p. whole mountains of gold.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut