Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

belhamel - (gesneden ram die de bel draagt; aanvoerder, deugniet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

belhamel zn. ‘gesneden ram die de bel draagt; aanvoerder, deugniet’
Vnnl. belhamel ‘de aanvoerder van allen’ [1562; Naembouck], ‘aanvoerder bij oproer, oproerkraaier’ [1626; WNT]; nnl. belhamels (mv.) ‘kwajongens, deugnieten’ [1896; WNT].
Gevormd uit → bel 1 en → hamel ‘gecastreerde ram’.
Fri. belhammer (en belderman); verouderd Duits Bellhammel (nu Leithammel); Engels bell-wether, echter alleen in de oorspr. concrete betekenis.
Een gesneden ram is rustiger en beter te hanteren in de veehouderij. Oorspr. moet de belhamel met een bel om de hals als aanvoerder van de kudde zijn gebruikt. Al in de eerste vindplaats is er figuurlijk gebruik.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

belhamel* [aanvoerder] {1562 in de betekenis ‘de eerste, de leider’} oorspr. de hamel die met een bel om de nek de kudde voorgaat (vgl. hamel2).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

belhamel

Een belhamel is een hamel die een bel draagt en aanvankelijk bezigde men het woord voor de hamel die een bel aan de hals dragende aan het hoofd van een kudde schapen gaat. Bij vergelijking past men dan het woord ook toe op de leider van een oproer en tenslotte ook op een baldadige jongen die als haantje de voorste optreedt bij straatschenderijen en dergelijke.

Een hamel is een gesneden ram en het woord hangt dan ook samen met een woordbasis die: snijden betekende en waarvan ook het woord hamer is afgeleid. Een hamer was oorspronkelijk: een snij-voorwerp, pas later een klopvoorwerp. De eigenlijke betekenis van het later als zelfstandig naamwoord gebruikte bijvoeglijke naamwoord hamel is dan ook: (de) verminkt(e).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

belhamel znw. m., sedert Kiliaen bekend, betekent ‘de hamel die met een bel om de nek de kudde voorafgaat en leidt’, dan ook ‘die in het kwaaddoen aanvoert’. — vgl. nhd. bellhammel (uit nd. overgenomen naast het gewone leithammel) en ne. bell-wether. Vermoedelijk stamt fra. bélier, waarvan de oudere vormen (15de eeuw) bellin, berlin zijn, ook uit het nl., vgl. reeds in de 13de eeuw het woord bélière ‘belletje van de belhamel’ (zie echter M. Valkhoff 57); zie dus verder: bel 1 en hamel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

belhamel znw., sedert Kil., die ook reeds de overdrachtelijke bet. kent. Oorspr. = “hamel, die met een belletje om den hals voor aan de kudde gaat”. Evenzoo nhd. bell-hammel m. (van ndd. thur. belle “schel”) en eng. bell-wether.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bel. Met belhamel vgl. nog zw. skäll-gumse.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

belhamel m., + Hgd. bellhammel, Eng. bellwether: uit bel en hamel (z.d.w.), dus = ram 1 die de bel draagt en dien de kudde volgt; 2. leider. Hierbij Fr. bélier en de naam Belijn uit de diersage.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

belhamel s.nw.
1. Bok wat 'n trop lei. 2. Leier, aanhitser, opruier. 3. Baldadige seun wat gewoonlik die voortou neem by kattekwaad.
Uit Ndl. belhamel (1855 - 1869 in bet. 1, 1626 in bet. 2, 1896 in bet. 3), in bet. 1 so genoem omdat die bok wat 'n trop lei 'n klok of bel dra en gewoonlik 'n hamel is, en in bet. 2 en 3 omdat sulke mense deur hul leiding aan 'n bok wat 'n trop lei, herinner. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

belhamel: deugniet; baldadige jongen (in de literatuur: Ciske, Abeltje, Kruimeltje, Pietje Bell). Een hamel is een gesneden mannelijk schaap of een gesneden ram. De belhamel is dus de leider die, met een bel om de nek, de kudde voorgaat.

Gustaaf zat weder te schertsen en more solito door te slaan als een wekker die afloopt, toen op eens een groote kei over de tafel komt rollen – voor het huis van den bakker over de brug was men juist bezig de straat te maken – en hij te gelijk een vijftal Leidenaars – waar komt dat volk toch zoo gaauw van daan! – met andere steenen gewapend, om den hoek van het raam ziet gereed staan, om daarmede het voorbeeld van den belhamel te volgen. (Johannes Kneppelhout, Studenten-typen, 1839-1841)
Koeman, altijd de rust zelve, lijkt bepaald geen belhamel. (Het Parool, 07/12/2002)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

belhamel ‘ram die de kudde aanvoert’ -> Frans bélier ‘ram’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

belhamel* aanvoerder 1562 [Naembouck]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

199. Belhamel.

In eigenlijken zin is een belhamel een hamel (schaapVgl. Noord en Zuid, XXIX, 526.), die met een belletje om den hals, aan het hoofd van de kudde gaat; bij overdracht en vergelijking: een aanvoerder bij een oproer, een haantje de voorste, een baldadige jongen; hd. Leit-, Bellhammel; eng. bellwether (ook in gunstigen zin). Vgl. reeds Kiliaen, die het vertaalt door vervex sectarius, dux gregis, per metaph. coryphaeus; Servilius 2*: hy is den bel-hamel, caput, waarvoor men bij Sart. II, 2, 35 leest: ghy syt hier bellaert, tu huius rei caput es; IV, 74: 't Katteken zijn, de Bel-hamel wesen, de eo qui certos omnes vincit ac superat. Zie verder het Ndl. Wdb. II, 1723; Harreb. I, 45 b; Woeste, 26 a en vgl. het fri. belhammer, dat ook voorkomt in den Gew. Weuw. III, 69. In het Land v. Waas is een belhamel iemand, die te luide spreekt of roept (Waasch Idiot. 101 b).

1748. Een overvlieger.

Een in de late middeleeuwen bij Froissart I, 65 voorkomende benaming van iemand, die boven anderen uitmuntBij Froissart in het slechte; aldaar beteekent het volgens Mnl. Wdb. V, 2327 waarschijnlijk belhamel; in de 16de eeuw komt het eveneens in eene ongunstige beteekenis voor, namelijk in die van bedrieger, wellusteling (zie Taal- en Letterbode IV, 214; Oudemans V, 532).. Zie ook Kiliaen: Overvliegher, perceler, velox et agilis supra modum: strenuus in primis; Plantijn: Een overvlieger, un voleur, qui vole de vistesse, homme habile; Sart. I, 9, 89: Ghy sult een overvlieger werden, evades in virum praecellentem et eximium; De Brune, Bank. II, 186; Halma, 490: Overvlieger, een uitsteekend man in eenige kunst; Sewel, 624; Ndl. Wdb. XI, 2170; Schuerm. Bijv. 250 a: overvlieger, die gemakkelijk leert; oostfri. aferflêger; fri. oerfleaner, oerfljugger. Vgl. ook het 17de-eeuwsche syn. overkijker en ons hoogvlieger, gewoonlijk in de uitdr. hij is geen hoogvlieger, hij timmert niet hoogEen hoogvlieger is eigenlijk een soort (tamme) duif, die zeer hoog vliegt; in Zuid-Nederland ook een leeuwerik (Schuermans, 193; Bijv. 126)..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut