Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

belgen - ((zich) kwaad maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

belgen ww. ‘(zich) kwaad maken’
Onl. belgon (zwak ww.) ‘kwaad maken’: gibalthon (pret. 3e pers. mv.) ‘ze maakten boos’ [10e eeuw; W.Ps.] en belgon (sterk ww.) ‘kwaad worden’: bilgistu thi (2e pers. ev.) ‘jij maakt je boos’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. belgen ‘opzwellen, boos worden’ [1276-1300; CG II, Rein.E].
Het zwakke werkwoord (waarbij ook ohd. belgen ‘kwaad maken’) is een causatief (< pgm. *balgjan- ‘kwaad maken’) bij het sterke werkwoord pgm. *belgan- ‘opzwellen, kwaad worden’, met os. belgan, ohd. belgan; ofri. belga (nfri. ferbolgen ‘gezwollen, onstuimig’); oe. belgan.
Verwant met Oudiers bolgaid ‘zwellen’, van de wortel pie. *bhelǵh- ‘zwellen’ (IEW 125), zie → balg.
Het werkwoord komt aanvankelijk sterk (zie ook → verbolgen ‘kwaad’) en zwak (zie ook → gebelgd) voor; later is het uitsluitend zwak. Tegenwoordig komt het vooral voor in uitdrukkingen als gebelgd zijn ‘boos zijn’ [1735; WNT], verbolgen zijn [1573; WNT].
De betekenis ontwikkelde zich van ‘opzwellen’ tot ‘kwaad worden’, vergelijkbaar met nnl. zich dik maken voor ‘kwaad worden’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

belgen* [toornig maken] {oudnederlands belgon [kwaad maken] 901-1000, middelnederlands belgen [opzwellen, boos worden, boos maken]} oudhoogduits belgan, oudsaksisch belgan; de oorspr. betekenis is ‘opzwellen’, vgl. balg.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

balg znw., behalve in blaasbalg nog slechts vulgair en dialectisch, mnl. balch (gh) m. “zak, blaasbalg, omhulsel, vel, buik, lijf”. = ohd. balg m. “korenhuls, vel, blaasbalg” (nhd. balg), os. balg m. “zak, blaasbalg”, (ofri. balg bnw. “vaginatus”), ags. belg, bylg m. “zak, blaasbalg” (eng. belly “buik”, bellows mv. “blaasbalg”), on. belgr m. “afgestroopt vel, zak, blaasbalg”, got. balgs m. “zak”, germ. *ƀalʒi- m. Van de germ. basis ƀelʒ-, ƀalʒ-, ƀulʒ- “zwellen”, waarvan ook ndl. belgen, mnl. belghen intrans. en reflexief “boos worden”, onfr. bëlgan, -on “id.”, ohd. bëlgan gew. met sih “zwellen”, gew. “boos worden”, os. bëlgan refl. “boos worden”, ofri. bëlga (alleen het verl. deelw.), ags. bëlgan intrans. en refl. “id.”. Voor den bet. overgang “zwellen” > “boos worden” bestaan veel analogieën, o.a. ndl. zich dik maken. Belgen was nog in het Mnl. sterk; nu is van die flexie het deelwoord verbolgen nog over. Het On. kent alleen dezen vorm, bolginn, met de bet. “gezwollen”. Met schwundstufe: mnl. bolghe, ohd. os. bulga v. “leeren zak” (dat echter ook van kelt.-rom. oorsprong kan zijn, evenals ook eng. bulge “buik van “een vat”), mnl. bulghe m. “gezwel”, on. bylgja v., mnd. bulge v. “golf”. (NB. vgl. oudnnl. bolk “golf, zak” met opvallende k). Van de idg. basis bhelĝh- “zwellen” komen verder gall. bulga “sacculus scorteus”, ier. bolg “zak”, russ. bólozeń “eelt, buil, likdoorn”, serv. blàzin(j)a “peluw, kussen, veeren bed”, oi. barhíṣ- “(offer)stroo”, av. barəziš- “peluw, kussen”. De basis bhelĝh- is van bhel- afgeleid. Zie bal 1.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

belgen o.w., nu zwak, Mnl. belghen, Onfra. belgan + Ohd., Ags., Go. id., Ofri. belga, On. v.d. bolginn: alle sterk bet. opzwellen, opgeblazen zijn van toorn + Ier. bolgaim = ik zwel, Skr. wrt. barh = sterk zijn: Idg. wrt. bhelɡh, waarvan balg den sterken, en Gallolat. bulga (Fr. bouge) den zw. graad vertoonen; wrt. bhelɡh is een uitbreiding van den wortel van bal 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

belgen (van) in overvloed hebben (Urk). = vero. nl. belgen ‘boos worden’ (~ verbolgen). Oorspronkelijk moet de betekenis ‘opzwellen’ geweest zijn (vgl. balgbuik’). Vgl. ook bulken van.
WNT II 1720-1721, Daan 1942, 365.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Belgen komt van den Germ. wt. belg, Idg. Bhelgh = opzwellen. Belgen is dus: opzwellen, n.1. van toorn. Vgl. ’t Mnl.: „Des (= daarover) balch die grave Haymijn”. Ook balg (in blaasbalg) is een afleiding.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

belgen* toornig maken 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal