Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

belet - (ontvangst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beletten ww. ‘verhinderen’
Mnl. beletten ‘hinderen’ [1254; CG I, 53], diese hiet beletten mochte ‘die hen op de een of andere manier konden hinderen, tegenhouden’ [1290; CG II, En.Cod.]; vnnl. beletten ‘belemmeren, tegenhouden’ [1688; WNT].
Afleiding met → be- van het Middelnederlandse werkwoord letten ‘vertragen, beletten, tegenhouden’, zie → letten.
Mnd. beletten ‘hinderen, tegenhouden’; mhd. beletzen ‘verwonden, schaden’; ofri. biletta ‘hinderen’ (nfri. belette); < pgm. *bi-latjan-, afleiding van het bn. pgm. *lata- ‘traag’, zie → laat.
belet zn. ‘verhindering’. Mnl. belet (verl.deelw.) ‘verhinderd, belemmerd’ [1292; CG I, 1873], belet (zn.) ‘hindernis’ [ca. 1400; MNW]; vnl. belet bij iemand vragen ‘vragen of er belet (verhindering) is, of men een voorgenomen bezoek mag brengen’ [1731-35; WNT]. Afleiding van beletten. ♦ beletsel zn. ‘hinderpaal, bezwaar’. Vnnl. beletsele ‘id.’ [1555; Luython]. Afleiding van beletten met het achtervoegsel → -sel.

beletsel zn. 'hinderpaal, bezwaar' (1555)
ANTEDATERING: mnl. geen beletsel 'geen belemmering' [1393-1402; MNW-P]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

belet ‘ontvangst’ -> Indonesisch belét ‘afspraak’; Gimán baleta ‘gift van gast aan heer des huizes (mannen: geld, vrouwen: voedsel) bij besnijdenisfeest, bruiloft en dodenfeest’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

belet. De antropoloog Dik Teljeur schrijft het volgende:

Ik heb anderhalf jaar in de Noord-Molukken gewoond en gewerkt bij een etnische groep die zichzelf Gimán noemen en door de Indonesisch sprekenden Orang Gane worden genoemd. De taal die zij spreken heet ook Gimán respectievelijk Bahasa Gane (in het Indonesisch). In deze taal komen verschillende Nederlandse woorden voor. Deze zijn daar vooral gekomen via de variant van het Moluks Maleis dat op Ternate en Halmahera gesproken wordt en werd, en dat, naast het Ternataans, een van de verkeerstalen is die in het gebied gesproken worden. Dit Moluks Maleis wordt in steeds toenemende mate door het Indonesisch (Bahasa Indonesia) beïnvloed. De grenzen tussen de twee vormen zijn zeer vloeiend, afhankelijk van de kennis van de spreker.

Van de Nederlandse elementen die via het Indonesisch of Moluks in het Gimán zijn opgenomen, geeft hij enkele voorbeelden, zoals bal, ember 'emmer' en pel 'pil'. Interessanter is echter een woord dat voor zover bekend alleen voorkomt in het Gimán en niet in het Indonesisch of Moluks, namelijk baleta. Hierover schrijft Teljeur:

Baleta is een gift, gegeven door een binnenkomende gast aan de heer des huizes bij een besnijdenisfeest, een bruiloft of een dodenfeest. Mannen geven een klein geldbedrag, vrouwen geven voedsel. Een gift gegeven bij een begrafenis heet niet baleta maar hamoda. Van baleta is habaleta afgeleid, met als betekenis 'een baleta (gift) geven'. Baleta gaat waarschijnlijk terug op het Nederlandse belet in belet laten vragen 'vragen of men ontvangen kan worden'.

Dit woord zal dus door het Gimán rechtstreeks uit het Nederlands geleend zijn, niet via het Indonesisch. Kennelijk vroeg de inheemse bevolking in het verleden bij de Nederlanders belet met een gift in de hand, en ging men vervolgens het woord gebruiken voor een gift bij een bijzondere gebeurtenis.

berm. In het Middelnederlands betekende barm, baerm 'ophoging, heuvel'; het woord gaat terug op een gereconstrueerd Germaans woord barma- 'rand'. In een deel van het Nederlands en van het Middelnederduits veranderde de -a- voor -rm in een -e-, vandaar de vorm berm naast barm. In het begin van de zestiende eeuw kreeg barm, berm in het Nederlands een bijzondere betekenis in de vestingbouw, namelijk die van 'strook grond of pad tussen een vestingwering en een gracht'. In die betekenis leende het Frans het woord in 1661 als barme; in 1676 is de huidige Franse vorm berme aangetroffen. De Lage Landen waren namelijk vooraanstaand in de vestingbouw, mede dankzij de natuurwetenschapper Simon Stevin, die een eigen systeem van vestingbouw ontwikkelde en hierover publiceerde in de Sterctenbouwing van 1594.

Volgens de woordenboeken werd het Franse woord overgenomen door het Italiaans als berma, door het Engels als berm (1729) en door het Kroatisch als berma. Ook het Duitse Berme, gebruikt in de weg- en waterbouw, is ontleend aan het Frans; het wordt onder andere genoemd in het Grammatisch-kritisches Wörterbuch van Adelung uit 1811. In het Amerikaans-Engels komt het woord berm voor sinds 1775; in deze taal is het woord waarschijnlijk rechtstreeks ontleend aan het Nederlands. Volgens een Letse vreemdewoordentolk is ook het Letse berma rechtstreeks uit het Nederlands geleend, maar waarschijnlijker lijkt mij toch dat het via het Duits is overgenomen, net als het Litouwse bèrma.

Het Indonesische bérem tot slot is geleend met de modern Nederlandse betekenis 'strook langs de weg': geleidelijk verschoof de betekenis in het Nederlands namelijk naar 'berm langs een weg, met name een autoweg'. Die betekenis komt echter niet voor in het Frans, Duits en Engels, behalve dan in het Nieuw-Zeelandse Engels - onder invloed van Nederlandse immigranten?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut