Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

belemmeren - (hinderen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

belemmeren ww. ‘hinderen’
Mnl. Want hi belemmerde die stad ‘want hij hinderde de stad, bracht de stad in verwarring’ [1285; CG II, Rijmb.]; vnnl. be-lemmeren, be-lammeren ‘belemmeren, hinderen, verstoren’ [1599; Kil.], belammert ‘verstoord, gehinderd’ [1628; WNT], belemmert ‘gehinderd’ [1642; WNT].
Frequentatief van het werkwoord belemmen ‘lam maken; tegenhouden’ [1400-25; MNW] (ook nog vnnl. belemmen ‘hinderen’ [1630; WNT belemmen]), afgeleid met → be- van mnl. lemmen, lemen ‘verlammen, hinderen’ [1327; MNW], een afleiding van het bn.lam 2 ‘kreupel’.
Os. bilemmian ‘id.’; ohd. bilemmen. Zonder voorvoegsel: ofri. lemma ‘lam maken’; oe. lemian; on. lemja ‘stukslaan’; < pgm. *lamjan- ‘lam maken’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

belemmeren* [verhinderen] {1285} iteratief van middelnederlands belemmen [kwetsen, verwonden, verminken], van lam [gebrekkig, zwak van leden, lam].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

leemte

Het hedendaagse Nederlands kent het woord leemte alleen in de betekenis: gaping, lacune en speciaal in de verbindingen: in een leemte voorzien en: een leemte aanvullen. Maar het woord heeft een lange weg moeten afleggen alvorens tot die betekenis te komen. Het stamt af van: lam en woorden als: loom en: belemmeren horen tot dezelfde familie. Belemmeren is dus: lam maken en vandaar: hinderen. De oorspronkelijke betekenis van leemte is dus: lamheid, verlamming. Daaruit vloeit die van: ziekte in het algemeen voort. Dan wordt de betekenis op zedelijk terrein overgebracht. Vandaar: fout, ondeugd. Busken Huet spreekt nog over ‘de leemten der amsterdamsche zamenleving’. Veelvuldig kwam de combinatie voor: leemten en gebreken en daardoor kregen deze woorden ongeveer dezelfde betekenis. En uit: gebrek, dat wil zeggen: het niet aanwezig zijn van iets, komt voort: gaping, opening.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

belemmeren ww., mnl. belemmeren, mnd. belemmeren (vgl. nhd. belemmern ‘bedotten’, eig. ‘in verlegenheid brengen’ uit het nd.). Een frequentatiefformatie bij oostmnl. belemmen, os. bilammian, bilamon ‘lam maken, verminken’, dus zelf gevormd bij mnl. lēmen, lemmen, mnd. lēmen, ohd. lemen (nhd. lähmen), ofri. lemma, lamma, oe. lemian ‘lam maken, verminken’, on. lemja ‘stukslaan’; een afleiding van lam. — Zie ook belabberd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

belemmeren ww., mnl. belemmeren. = mnd. belemmeren “belemmeren” (nhd. belemmern “bedotten”). Een frequentatiefformatie bij oostmnl. belemmen, os. bilemmian (naast bilamon) “lam maken, verminken”; dit is een samenst. van germ. *lamjanan “lam maken”, mnl. lēmen, lemmen (deze vorm ook in den Teuth.) “lam maken, verminken”, ohd. lemen (nhd. lähmen), mnd. lēmen, ofri. lemma, lamma (lema?), ags. lemian “id.”, on. lemja “slaan, stukslaan”. De bijvorm belammeren (Kil.) is onder invloed van lam opgekomen, evenzoo ndd. belammern (waaruit zw. belamra) naast belemmern (waaruit de. belemre). Vgl. nog mnl. lemmer m., bij Kil. ook lammer “belemmering” en zie verder lam II en belabberd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

belemmeren. Ofri. lema, in parenthesi met een vraagteken vermeld, kan vervallen. Vgl. nog belabberd Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

belemmeren o.w., met e = ä denom. van lam.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

belemmer ww.
1. Versper, verhinder. 2. Strem, teëhou. 3. Onbruikbaar maak.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. belemmeren (1624 in bet. 1, ongeveer 1648 in bet. 2), die gebruikliker vorm van die verouderde belemmen 'belemmer' wat afgelei is van lemmen of lemen 'lam maak, vermink'. Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Belemmeren is een afl. van lam (z. d. w.); iets dus lam maken, in den voortgang hinderen. Zie ook Leemte.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

belemmeren ‘(ver)hinderen’ -> Duits belemmern ‘iemand storen, hinderen’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens belemre ‘(ver)hinderen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors belemre ‘iets (een kamer) zo vol zetten dat de doorgang gehinderd wordt’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

belemmeren* (ver)hinderen 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut