Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beleg - (belegering; broodbelegsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beleg zn. ‘belegering; broodbelegsel’
Mnl. belegghe ‘beleg, omsingeling’ [1350-1400; Toll.], belech ‘beleg, omsingeling’ [1431; MNW]; vnnl. belech ‘militaire insluiting’ [1511; WNT buik]; nnl. in de samenstellingen broodbelegsels (mv.) [1951; WNT Aanv.], broodbelegging [1957; WNT Aanv. marmite], als simplex in beleg op brood [1956; Dale Hwb. broodbelegsel].
Afleiding van het Middelnederlandse werkwoord belegghen ‘belegeren’ [ca. 1340; MNW], afgeleid met → be- van het werkwoord → leggen. De betekenis ‘broodbeleg’ is een jonge afleiding bij nnl. beleggen ‘bedekken’; deze betekenis bestaat niet in het Fries.

EWN: beleg zn. 'belegering; broodbelegsel'; de betekenis 'broodbeleg' (1956)
ANTEDATERING: eerst broodbeleg [1915; Centrum 4/11]
Later: brood, margarine, beleg [1940; Nieuwe Leidsche courant (Ld) 23/7] (EWN: 1956)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beleg* [militaire insluiting] {belegge [belegering] 1351-1400} van middelnederlands beleggen [leggen, beslaan van een ruimte, bezetten, belegeren], van be- + leggen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beleg znw. o., mnl. belegghe, belech o. “beleg, omsingeling”. Evenals mnd. belach, belech o. “id.” een verbaalsubstant. bij mnl. belegghen, mnd. beleggen, een samenst. van leggen, die o.a. “belegeren, omsingelen” beteekende.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beleg, belegeren o. resp. o.w., het eerste is stam van beleggen; het tweede is denom. van leger.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

belègk (zn.) insluiting van vesting; Middelnederlands belegghe <1350-1400>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beleg ‘wat men op een boterham legt’ -> Papiaments belèg ‘wat men op een boterham legt’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

hapsnap [willekeurig] (1976). De tiende druk van het nog steeds verschijnende woordenboek van Van Dale verschijnt onder redactie van C. Kruyskamp. Hij is de eerste die in een woordenboek woorden opneemt als beleg (‘broodbeleg’), gestoord (‘gek’), hapsnap, kanen, lijnen (‘vermageren’), lolbroek en witheet.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beleg* insluiting van een vesting 1351-1400 [MNW]

beleg* wat men op een boterham legt 1976 [GVD]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

269. Iets over een anderen boeg wenden of gooien.

Wanneer men het schip over of op een anderen boeg wendt (gooit of draait), dan gaat men bij den wind zeilende over een andere zijde liggen, verandert men van streek of koers. Onder boeg moet dan niet worden verstaan de borst van het schip als één geheel, doch een der beide boorden of zijden van het schip, waarvoor het ligt of zeilt. Figuurlijk kon zoo deze uitdrukking beteekenen van richting veranderen, ‘aan een gesprek eene andere richting geven, van onderwerp veranderen, of in het algemeen een anderen weg inslaan om zijn doel te bereiken, eene zaak op eene andere wijze aanpakken; inzonderheid om iemand tot iets te overreden of van iets te overtuigen: van batterij veranderen’; Ndl. Wdb. III, 71 en V, 415. Vgl. Sartorius I, 5, 94: 't Schip over een ander boegh laten loopen, hoc est, facere ut navis alio feratur cursu; en III, 5, 49: men moet het schip over een ander boegh laten loopen, quoties id quod hac non successit, alia tentatur via; aut quoties, ubi quae potissima fuerant, non contingunt, ad proxima confugitur auxilia; Sewel, 127: Het op een andere boeg wenden, zyn streek veranderen, to tack about; het op een andere wys bezoeken, to try it in another way; Halma, 82. Ook in het Nd. is de uitdr. bekend volgens Wander I, 430; Taalgids V, 173: ik moot idt up 'n andern Boog smiten of leggen; Eckart, 57: up 'n annern Bôg leggen. Zie verder de door Harrebomée I, 66 aangehaalde schrijvers en vgl. eng. to get upon another tack; to change the tack.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut