Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bel - (schel, klok)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bel 1 zn. ‘klok’
Mnl. so mot men de belle luden ‘zo moet men de bel luiden’ [1236; CG I, 24].
Mnd. belle; nfri. bel(le); oe. bell(e) (ne. bell); on. (< oe.) bjalla (nijsl. bjalla, nzw. bjälla, nde. bjelde); < pgm. *bello- < *belzo-.
Verwant met Litouws balsas ‘stem, geluid’; Lets bàlss; wrsch. < pie. *bhel- ‘klinken, brullen, blaffen’, zoals ook Duits bellen ‘blaffen’ en Nederlands → balken, → bulderen. Zie ook → bal 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bel1* [schel, klok] {belle 1236} middelnederduits, oudengels belle, oudnoors bjalla, van een stam waarvan ook zijn gevormd middelnederlands bullen [tieren], belen [blaffen], hoogduits bellen [blaffen], alle met ll < ls; buiten het germ. litouws balsas [stem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bel 1 znw. v. ‘schel’, mnl. belle ‘schel, bekken van een omroeper’, oe. belle > ‘schel, bekken’, on. bjalla ‘bel’ (dit laatste wel uit het oe. ontleend!). — Vgl. verder oe. bellan ‘brullen, blaffen’, ohd. bellan ‘blaffen, twisten’. — Men verg. lit. balsas ‘stem, toon’ en verklaart dan uit germ. *bellō < *belzō.

Dit is echter niet nodig; in het germ. heeft een klankgroep *bel: bal: bol: bul bestaan, die verschillende soorten van klanken aanduiden, vgl. balken, bulderen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bel I (schel), mnl. belle v. “schel, bekken van den omroeper”. = mnd. bëlle v. “schel”, ags. bëlle v. “schel, bekken” (eng. bell), on. bjalla v. “bel”. Met ll uit lz uit ls; vgl. lit. bal̃sas “stem, toon” en zie verder bij balken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bel 1 v. (schel), Mnl. belle + Ags. belle (Eng. bell), On. bjalla (De. bjelde); behoort bij Hgd. bellen = bassen, Eng. to bell = schreeuwen + Lit. balsas = stem, Skr. bhāṣati = bassen; Germ. ll over lz uit ls.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bel (de,-len), luiklok. - Etym.: Het is de oorspr. bet. en was vroeger in N alg. gebr. In N van thans in het Zeeuws alg. (Ghijsen), elders weinig gebr. Vgl. E bell = o.m. id. - Samenst.: kerkbel*. Zie ook: schel*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bel ‘schel’ -> Frans bélière ‘ring met daaraan de klepel van een klok’; Indonesisch bél ‘een schel’; Balinees bél ‘toeter, claxon’; Jakartaans-Maleis bèl ‘deurbel’; Javaans bel ‘een schel’; Madoerees ēbbel ‘deurbel’; Menadonees bèl ‘fietsbel, klokbel’; Minangkabaus bel ‘een schel’; Sasaks bel ‘fietsbel, schoolbel’; Papiaments bèl ‘schel’; Sranantongo bèl ‘klok, schel’; Surinaams-Javaans bèl ‘een schel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bel* een schel 1236 [CG I Gent]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

bel: een —(letje) doen rinkelen (← Eng. to ring a bell), bekend in de oren klinken; bekend voorkomen. De uitdrukking is vermoedelijk al oud maar werd vrij laat door de meeste woordenboeken gehonoreerd.

Angie Bowie, een naam die een bel doet rinkelen in het popmilieu. (Panorama, 30/04/85)
De naam VAN ZANT zal bij velen onder ons wel een belletje doen rinkelen. (Backstage, september 1985)
Steve Buscemi (1958) is wellicht een naam die voorlopig geen belletje doet rinkelen bij het grote publiek. (De Morgen, 10/01/97)
een belletje krijgen is informeel voor ‘opgebeld worden’.
Ik kreeg een belletje toen Daan bij platenmaatschappij Columbia ging werken... (Nieuwe Revu, 05/11/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1094. De kat de bel aanbinden,

d.w.z. den eersten stap doen tot een gevaarlijke onderneming. De uitdrukking is ontleend aan de bekende fabel van de muizen en de ratten, die besloten hadden de kat een bel om te hangen, doch toen het tot de uitvoering zou komen, het geen van allen durfden doen. In de middeleeuwen was de uitdr. bij ons bekend, doch veel vroeger komt in eene Grieksche vertaling van de Pantschatantra een dergelijk verhaal voorBenfey I, § 234.. Vgl. Hist. Gen. 4, 683, 335: Carl van Gelder quam als hij hem toe voren hadde beloft, dat hij hem solde commen onderwinden ende soel dije kat dije bel anbinden (Mnl. Wdb. III, 1239). Zie verder Despars 2, 316; Bib. 257: Om (den cater) de belle an te doene, niemant en darft hem bestaen; Goedthals, 111; Campen, 118; Marnix, Byenc. 73; Breughel, no. 22; Tijdschrift XXI, 84; Pers, 597 a: Den kater de bellen aanbinden; Bank. I, 350; Brederoo, Moortje, 1221; Idinau, 18:

De katte de belle aen-hanghen.
Wien sal de katte de belle aen-hangen?
Vraeghden de muysen, tot vrydoms ver-meeren.
De kat met de bel, soude luttel vanghen,
Maer t' is quaedt sijnen meester verheeren.

Die hen onder-worpen, die komen tot eeren.Willem Leevend VIII, 62; enz. enz. In het fr. luidt zij: attacher le grelot (scil. au chat), mettre la campane au chat; hd. der Katze die Schellen umhängen; nd. de Katt de Bell anhangen; eng. to bell the cat (in 1362); to hang the bell about the cats neck; ital. appicar il sonaglio a la gatta. Zie verder Wander II, 1186; Harreb. I, 45; Ndl. Wdb. II, 1655; 1682; VII, 1795; vgl. het vroegere belbinder, de hoofdaanlegger van iets (Sart. II, 4, 92) en het Vl. de kat de bel aanhangen, iets overal vertellen (Joos, 116); Teirl. II, 116: de katte de bel andoen of anhangen; fri. de kat de bel oanbine.

1184. Iets aan de (groote) klok hangen,

d.w.z. iets alom bekend, ruchtbaar maken; aan elk en ieder overluid vertellen; hd. etwas an die grosze Glocke hängen oder bringen; fr. sonner la grosse cloche. In de 16de eeuw zeide men hiervoor dat is al an die clockreepe voor: dat weet Jan en alleman; zie Campen, 22; Sart. I, 7, 33 en bij Sart. Adagia, p. 147: het hanght al aen de klockreep, dat ter vertaling dient van notum lippis et tonsoribus. Ook Hooft gebruikt deze uitdr. in Ned. Hist. 1051, evenals Coster, 37, vs. 820 var.; Smetius, 116 en Winsch. 15: Ik hang het aan de klokreep, ik maak het rugbaar. Naast clockenreep kende men in de middeleeuwen ook clockenseel, en zoo kon men ook zeggen aan 't clockenseel hangen, dat aangetroffen wordt Sac. v.d.N. 896 (als de vrouwen wat weeten dat hanght aent clockzeel) en thans nog in Noord- en Zuid-Nederland bekend is; zie Teirl. II, 149; Joos, 89; Waasch Idiot. 352 a; Antw. Idiot. 670 en Schuerm. Bijv. 164 b. De tegenwoordig algemeen gebruikelijke uitdr. iets aan de (groote) klok hangen is eerst in de 17de eeuw aangetroffen; men bedenke hierbij, dat meestal twee klokken in den toren hingen, een zware of groote klok, die bij brand, bij openbaren nood of een vijandelijken inval werd geluid of ‘geslagen’, en eene met een minder zwaren klank, welke voor het bijeenroepen tot openbare afkondigingen werd ‘geklept’Vgl. Fr. Seiler, D. Sprichwörterkunde, p. 246: Zur Gerichtsverhandlung wurden die Dinggenossen auf dem Lande durch das Läuten der Kirchenglocke zusammengerufen. Daher: mit der groszen Glocke zu Gericht laden (Grimm, D. Rechtsaltert. 2, 470). Wer also etwas vor Gericht brachte, der veranlaszte, dasz die grosze Glocke geläutet wurde, lief gleichsam zur groszen Glocke. Jetzt heiszt es bildlich: etwas an die grosse Glocke hängen, nämlich ein Gewicht an den Glockenstrick, so dasz die Glocke zu läuten anfängt und nun das Verfahren über die Sache eröffnet wird.. Zie Ndl. Wdb. V, 1058; Mnl. Wdb. III, 1565 en vgl. Hooft, Brieven, 205; Six v. Chandelier, 527; C. Wildsch. IV, 310; voor het Nederduitsch Eckart, 161; 82: hä hängt alles ân dä Dômklok; Taalgids IV, 241 en VII, 205, waar wordt medegedeeld, dat men in Zeeuwsch-Vlaanderen ook gebruikt: ‘iets aan de bel hangen, daar vele gemeentehuizen geen klok, maar wel een bel hebben,’Zou niet eerder aan de bel van den omroeper moeten worden gedacht? Zie Taalgids VII, 206; Ndl. Wdb. II, 1655; De Cock1, 254; Volkskunde XIV, 156. waarvoor in Antwerpen gezegd wordt iets met de lange bel doen uitbellen (Antw. Idiot. 205); bij Teirl. 120: iet an den belleman zeggen, iets overal vertellen, uitbellen; in Twente: iets an de panne (het koperen bekken van den omroeper) hangen. Zie verder Suringar, Erasmus, CLI en W. Dijkstra, 358 a: hy hinget it net oan 'e greate klok, hij is geheimhoudend; Ten Doornk. Koolm. II, 276; Reuter, 59 a en vgl. reeds mnl. iet ommebellen, iets ombellen, omklinken; Afrik.: Dit is nie nodig om dit aan die groot klok te hang nie.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut