Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bekwaam - (kundig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bekwaam bn. ‘kundig’
Mnl. dits mi wel bequame ‘dat is mij aangenaam, nuttig’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.]; vnnl. bequaem ‘geschikt (voor)’ [1550; WNT], ‘aangenaam, welgevallig’ [ca. 1600; WNT], bequaam ‘in staat (tot)’ [1695; WNT]; nnl. bekwaam ‘door aanleg of oefening in staat tot het beoefenen van een vak of bedrijf’ [1784-85; WNT].
Ablautsvorm (rekkingstrap) bij het Middelnederlandse werkwoord becomen ‘gepast zijn’, zie → bekomen.
Mnd. bequeme, bequame ‘passend, minzaam’; ohd. biquāmi ‘passend, nuttig’ (nhd. bequem ‘geriefelijk’); nfri. bekwaam; met ander voorvoegsel: oe. gecwēme naast oe. cwēme ‘geschikt, aangenaam’; on. kvæmr ‘komend, toegankelijk’; < pgm. *bi-quēmi- ‘passend’, bij pgm. *bi-kweman- ‘passen’, zie → komen.
bekwaamheid zn. ‘kunde’. Vnnl. bequaemheyt ‘geschiktheid, goede staat’ [1599; WNT], geschiktheid (voor), het in staat zijn (tot) [1688; WNT]. Gevormd uit bekwaam en het achtervoegsel → -heid. ♦ zich bekwamen ww. ‘studeren (voor)’. Nnl. bekwaamde zich ‘deed kennis op’ [1786-1811; WNT]. Afleiding van bekwaam.
Lit.: J. Weisweiler (1935) ‘Verbs of Motion in their Semantic Divergence’, in: Indogermanische Forschungen 53, 54-56

EWN: bekwaam bn. 'kundig'; de betekenis 'geschikt, in staat tot' (1550)
ANTEDATERING: die ghi bequaem daer toe kennet 'die gij daarvoor geschikt acht' [1399; MNW-P]
EWN: ♦ bekwaamheid zn. 'kunde' (1599)
ANTEDATERING: mnl. bequaemheit des tijts 'geschiktheid van het tijdstip' [1409; MNW-P]
EWN: ♦ zich bekwamen ww. 'studeren (voor)' (1786-1811)
ANTEDATERING: vnnl. eerst bequaemt den ghebruycker tot 'maakt de gebruiker geschikt voor' [1630; Coornhert, 284r]
Later: Poog met al uw kracht, ô yverige Schilderjeugt, u te bequamen tot eygen vindingen [1678; Van Hoogstraten, 192] (EWN: 1786-1811)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bekwaam* [kundig] {bequame [gepast, passend, geschikt, bekwaam] 1265-1270} van middelnederlands becomen [betamen, passen] (vgl. bekomst), afgeleid van komen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bekwaam

Bekwaam is een afleiding van het werkwoord bekomen, dat betekende: passen, voegen. Bekwaam is dus: geschikt, gepast, doelmatig. In deze betekenis treffen wij het woord nog aan in de uitdrukking met bekwame spoed, die immers betekent: met passende haast. Ook het Engelse to become betekent: passen, voegen, betamen en dit is weer hetzelfde als het Latijnse con-venire, dat wij kennen als conveniëren. Ook in de betekenis: voegzaam, zedig, ingetogen, komt bekwaam voor, maar bekender is de tegenstelling onbekwaam voor: dronken. De jongste betekenis is: in staat zijn een vak uit te oefenen, geschikt, kundig.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bekwaam bnw., mnl. bequâme ‘aangenaam, welgevallig, passend, nuttig, (zelden) bekwaam’, ohd. biquāmi ‘passend, dienstig, nuttig’, mnd. bequēme, bequāme ‘passend, minzaam, meegaand’, verder oe. (ge)cwēme ‘geschikt, aangenaam’, on. kvæmr ‘komend, toegankelijk’. — oi. gāmya ‘komend’.

Hochstufe bij mnl. becōmen, mnd. bekōmen ‘aanstaan, passen’, oe. becumen (ne. become) ‘betamen’, vgl. got. gaqimiþ ‘het betaamt’ (voor de betekenis vgl. lat. convenīre). — Afleiding van komen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bekwaam bnw., mnl. bequâme “aangenaam, welgevallig, passend, nuttig, (zelden) bekwaam”. = ohd. biquâmi “passend, dienstig, nuttig” (nhd. bequem), mnd. bequême, bequâme “passend, minzaam, meegaand”; vgl. ags. gecwême, cwême “geschikt, aangenaam”. Een afl. van germ. *(ƀi-, ʒa-) kumanan (*qemanan) in de bet. “gepast zijn, convenieeren”: mnl. becōmen, mnd. bekōmen “aanstaan, betamen”, ags. becuman (eng. to become) “betamen”, got. gaqimiþ) “het betaamt”. Voor de bet. vgl. lat. con-venîre “passen, betamen”. Zie verder komen en voor het vocalisme vgl. aangenaam.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bekwaam bijv., Mnl. bequame + Ohd. biquâmi (Mhd. bequǣme, Nhd. bequem), Ags. gecwéme, van denz. stam als ’t meerv. imp. van bekomen; vergel. advenant en Fr. convenir.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bekwaam: “eetbaar, ryp” (bv. vrugte), hou wsk. verb. m. het. “geskik”, soos ook in Ndl. bekwaam, ’n afl. v. bekomen (Mnl. bequame, by vRieb (19.7.1656) o.a. ook bequeem), Hd. bequem, Eng. become en veral becoming; vir bet. vgl. Lat. (con)venire, “betaam, pas”.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Bekwaam bnw., ryp genoeg of andersins geskik on geëet te word (van vrugte en groente), - Boshoff 137 beweer dat bekwaam in bowegenoemde verband in die 17de-eeuse klugte en in die min of meer verouderde literatuurtaal voorkom, asook nog in verskillende Ndl., dialekte. Nou ken die Ndl. Wdb. II, 1647-8, geen opgawes waar bekwaam bepaaldelik van vrugte en groente gebruik word nie, en ook in die hedendaagse dialekte is so ’n gebruik my onbekend. Wat ek wel gevind het, is Ter Laan 67: “’t Laand is bekwaam, geschikt ter bewerking,” en ook alleen van grond O.V. II, 79 (Neder-Betuwe) en Van de Water 57. Gunnink 105 gee vir bǝkwṑm alleen die betekenis “bruikbaar” op, en Joos 100: “Bekwaam, geschikt om verkocht of geslacht te worden, van beesten gezeid.” Vgl. nog Taalk. Mag. II, 418

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bekwaam is een afl. van komen; letterlijk dus: iets wat ergens goed bijkomt, er goed bij past; wat geschikt is, en hieruit: kundig. Vgl. nog: Een „bequaame” stof voor een gedicht (H. de Groot).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bekwaam ‘kundig’ -> Deens bekvem ‘comfortabel; toestand waarin grond klaar is voor verbouwing of verplanting’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bekvem ‘comfortabel; geschikt; (verouderd) kundig’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bekväm ‘comfortabel; geschikt’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands bequaam ‘kundig; gemakkelijk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bekwaam* kundig 1265-1270 [CG Lut.K]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

195. Met bekwamen spoed,

d.w.z. met passenden spoed. Het bijv. naamw. bekwaam heeft hier nog de vroeger zeer gewone bet. als afleiding van bekomen, dat eertijds passen, voegen (eng. to become) beteekende. Vgl. ook te bekwamer tijd, dat nog niet in onbruik is geraakt; Plantijn: Bequame tijt, temps oportun, temps convenable, oportunum tempus.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut