Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bekrompenheid - (kortzichtigheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bekrompen bn. ‘kortzichtig; niet ruim’
Vnnl. bekrompen ‘samengetrokken, beperkt van omvang’ [1678; Hexham].; nnl. bekrompen beginzels ‘kortzichtige beginsels’ [1784; WNT].
Verl.deelw. van een werkwoord bekrimpen ‘beperken, inperken’ dat nauwelijks bestaat buiten het wederkerende zich bekrimpen ‘zich beperken’ [1808; WNT], en dat is afgeleid met → be- van het sterke werkwoord → krimpen.
Mnd. bekrumpen ‘samengetrokken’, ook overdrachtelijk in ein bekrumpen herte ‘een bevreesd hart’, bij bekrimpen ‘laten krimpen’ [1472; Schiller/Lübben]; nfri. bekrompen.
De oudste betekenistoepassing is concreet: ‘beperkt van omvang’; dat werd echter algauw ook van de geest gezegd.
bekrompenheid zn. ‘kortzichtigheid, kleingeestigheid’. Vnnl. bekrompenheit ‘beknoptheid’ [1672; WNT]; nnl. bekrompenheid ‘kleingeestigheid’ [1805; WNT]. Afleiding met → -heid.

EWN: bekrompen bn. 'kortzichtig; niet ruim' (1678)
ANTEDATERING: Al te becrompen 'al te karig' [1561; Sartorius, 193r]
Later: bekrompene, vernepene gemoederen 'kortzichtige, niet hoogstaande zielen' [1619; iWNT vernepen] (EWN: 1784)
EWN: ♦ bekrompenheid zn. 'kortzichtigheid, kleingeestigheid' (1672)
ANTEDATERING: die melidelike bekrompenheid 'die miserabele kleingeestigheid' [1644; iWNT verhatelijken]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut