Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beklijven - (blijven hangen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beklijven ww. ‘blijven hangen’
Mnl. becliuet (3e pers. ev.) ‘ontspruit, neemt toe’ [1265-70; CG II, Lut.K], so moeten si ene andere grone planten jn die stede die becliue (conjunctief) ‘dan moeten zij een andere groene plant op die plaats planten die wortel moge schieten’ [1294; CG I, 1982]; vnnl. becliuen ‘opschieten, groeien, gedijen [1576; WNT]; vast en duurzaam worden, standhouden, voortduren’ [1668; WNT].
Afgeleid met → be- van het sterke werkwoord cliven ‘klimmen’ [1285; CG II, Rijmb.], ‘kleven’ [1315-35; MNW-R], ‘gedijen’ [1450-1500; MNW], ablautend bij de dezelfde wortel als → kleven.
Os. biklīban ‘wortel slaan, groeien’; ohd. biklīban ‘zich hechten aan, gedijen’; ofri. biklīva ‘opstijgen, machtig worden; beklimmen’ (nfri. bekliuwe ‘beklimmen’, beklibje ‘beklijven’). Zonder voorvoegsel bovendien: ohd. klīban ‘kleven’, oe. clīfan ‘zich hechten aan’, on. klífa ‘klimmen’; < pgm. *klīban- ‘kleven’.
Verwant met Oudkerkslavisch u-glĭběti ‘blijven steken’ (Servo-Kroatisch glîb ‘drek’); bij de wortel pie. *gleibh- ‘kleven, smeren’ (IEW 363), een labiale verlenging bij *glei- (< *gel-) ‘kleven, smeren’. De oorspr. betekenis was wrsch. ‘kleven’, waaruit zich de betekenis ‘wortel schieten’ of ‘klimmen’ laat verklaren.
Het simplex cliven is verdwenen. Reeds in het Middelnederlands had het zwakke, ablautende werkwoord cleven alle betekenissen van cliven overgenomen. Een relict, hoewel inmiddels ook al verouderd, is het zn. klijf ‘klimop’ [1599; Kil.].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beklijven* [gedijen, bijblijven] {becliven (verl. deelw. becleven) 1265-1270} van be- + middelnederlands -cliven [kleven, blijven vastzitten, wortel schieten, gedijen], naast cleven (sterk en zwak ww.) (vgl. kleven).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beklijven ww., mnl. beclîven ‘ontspruiten, voorspoedig zijn, blijven bestaan, beklijven’, os. bikliƀan ‘wortel schieten’, ohd. biklīban ‘zich hechten aan, gedijen’, owfri. biklīva ‘toenemen’, samenstelling van mnl. clîven ‘kleven, gedijen, klimmen’, ohd. klīban ‘kleven’, oe. clīfan ‘zich hechten aan’, on. klīfa ‘klimmen’. — Buiten het germ. alleen in het Slavisch verwanten, vgl. osl. u-glebŭ ‘blijf steken’, serv. glib ‘drek’. Idg. wt. *gleibh is afl. van *glei, waarvoor zie: klei. — Zie ook: kleven.

De betekenis van ‘klimmen’ zal zich uit die van ‘kleven’ ontwikkeld hebben, doordat men bij het klimmen zich dicht aan het voorwerp aandringt, waartegen men opklimmen wil (vgl. boomklever). Vandaar woorden voor ‘klimop’ als ouder holl. klijf (Kiliaen) en zeeuws klever.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beklijven ww. (archaïseerend), mnl. beclîven “ontspruiten, toenemen, voorspoedig zijn, bestendig zijn, bijblijven, verbonden zijn met”, sterk ww., een samenstelling van mnl. clîven “kleven, gedijen, (gew.) klimmen”. = ohd. klîban, biklîban “kleven, zich hechten aan, gedijen”, os. biklîƀan “wortel schieten”, owfri. biklîva “toenemen”, ags. clîfan “zich hechten aan”, on. klîfa “klimmen”. Ablautend met kleven; vgl. Kil. klijf (“Holl.”) naast klever (“Zeland.”), beide = “klimop”. Een causatief-formatie bij germ. “klîƀanan is ohd. kleiben “vast maken, doen kleven” (nhd. kleiben) uit *klaiƀianan. Zie kleven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beklijven ono.w., Mnl. becliven, saamgest. met cliven, waaruit kleven (z.d.w.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Beklijven komt van kleven: wat dus bij iets blijft kleven.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beklijven* gedijen 1265-1270 [CG Lut.K]

beklijven* (bij)blijven 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut