Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beitsen - (kleuren met beits)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beitsen ww. ‘kleuren met beits’
Nnl. beitsen [1892; WNT], naast eerder al in beitzmiddel bij het verwen ‘afbijtmiddel bij het verven’ [1856; WNT vitriool].
Als vakterm ontleend aan Duits beizen ‘beitsen’, de voortzetting van Oudhoogduits beizen (met /ts/) [10e eeuw; Pfeifer], een causatief bij het sterke werkwoord bīzan (met /s/) ‘bijten’, waaruit Nieuwhoogduits beißen, zie → bijten.
Het Middelnederlandse cognaat van het Duitse woord is beten ‘doen bijten’, dat evenwel alleen in overdrachtelijke betekenissen is geattesteerd: ‘afstijgen (van paard, wagen, etc., zodat het paard kan grazen, bijten)’, en vandaar ‘zich legeren, gaan zitten of liggen’ en ‘vervallen tot, neigen’; daarnaast ook ‘op valkenjacht gaan (=de valk doen bijten op een prooi)’.
beits zn. ‘kleurstof om hout te verven’. Nnl. beits ‘id.’ [1930; Verschueren]. Ontleend aan Duits Beize, de voortzetting van Oudhoogduits beiza [12e eeuw; Pfeifer].

EWN: beitsen ww. 'kleuren met beits' (1892)
ANTEDATERING: satijn- of blaauw gebeitst hout [1852; NRC 31/10]
EWN: ♦ beits zn. 'kleurstof om hout te verven' (1930)
ANTEDATERING: Zwarte en Noten Beitsen [1879; NvdD 8/11]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beitsen [kleuren met beits] {1892} < hoogduits beizen [doen bijten], causatief van beißen [bijten]; vgl. bijten en beten1; vgl. voor de betekenis engels mordant en.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beitsen ww., in de 19de eeuw < nhd. beizen eig. ‘doen bijten’ vandaar ook ‘uitbijten, beitsen’. — Zie: etsen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

etsen ww. Dit laatste sedert Kil. Evenals eng. to etch, de. etse, zw. etsa uit nhd. ätzen “etsen”. Vgl. het in beperkten kring gebruikte laat-nndl. beitsen, evenals de. beitse, zw. betsa uit nhd. beizen. [NB. ä́tzen is formeel = ndl. dial. etten “laten afgrazen”, een alg.-germ. ww. *atjanan, caus. van *etanan “eten”.]

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

beitsen (Duits beizen)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beitsen kleuren met beits 1892 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut