Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beitel - (soort gereedschap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beitel zn. ‘soort gereedschap’
Mnl. scaer uel wegghe uel beitel ‘schaar of wig of beitel’ [ca. 1320; Claes 1982, 54], beitel, betel [1477; MNW].
Germaanse afleiding van een ablautsvorm bij de wortel van → bijten, met een achtervoegsel dat vaak voor gereedschappen wordt gebruikt, voor meer voorbeelden zie → druppel, dat met hetzelfde achtervoegsel is gevormd.
Mnd. bitel, beitel; mhd. beizel ‘wig’ (Midden-Duits Beißel; nhd. Beitel); nfri. beitel, betel, beidel; < pgm. *bait-ila- ‘gereedschap waarmee men bijt of snijdt’.
beitelen ww. ‘met de beitel werken’. Nnl. beitelen ‘id.’ [1826; WNT]. Afleiding van beitel.

EWN: ♦ beitelen ww. 'met de beitel werken' (1826)
ANTEDATERING: vnnl. Hy beytelt, steeckt en snijdt [1615; De Koning, D4r]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beitel* [stuk gereedschap] {be(i)tel [beitel, wig] ca. 1320} middelnederduits beitel, betel [beitel], beizel [wig], afgeleid van het causatief bijten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beitel znw. m., mnl. beitel, bêtel, mnd. bētel, beitel ‘beitel’, mhd. beiʒel ‘wig’. Het woord *baitila is een afl. van bijten en betekent dus ‘het gereedschap, waarmee men snijdt’ (vgl. nhd. meizzel, on. meitill bij got. maitan ‘snijden’, waarvoor zie: moot.)

Er is nog een ander woord oudnnl. beitel ‘boot(je)’, te vergelijken met oe. bāt, on. beit ‘boot’ en het ww. beita ‘bij de wind varen’. Ook dit woord is afgeleid van bijten (Lidén, Fschr. S. Bugge 1892, 85-6, HVS Upps. 6, 1897, Nr. 1, 34); men denkt gewoonlijk aan een primitieve constructie zoals een gespleten en uitgeholde boomstam; zou men ook niet kunnen denken aan een boot met een scherpe steven, die door de golven heen ‘bijt’?; zie verder: boot, schuit en snik.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beitel znw., mnl. beitel, bêtel (deze vorm nog in ’t Vla.) m. “beitel”. = Teuth. beytel, mhd. beiʒel m. “wig”, mnd. bêtel, beitel (waaruit nhd. beutel), noorw. dial. beitel m. “beitel”. Een afl. van den verbaalwortel germ. ƀît-, ƀait-, idg. bheid-, bhoid-, zie bij bijten. Oi. bhedura-, bhedira- “dondersteen” zijn ook van den vollstufigen wortel bheid- gevormd, maar staan wsch. in geen direct genetisch verband met beitel. Het Hd. bezit voor “beitel” meissel, ohd. meiʒil = on. meitill m., van het niet-ablautende germ. ww. *maitanan “snijden” (zie moot). Germ. *maitila- en *ƀaitila-kunnen elkaar formeel beïnvloed hebben. Een ander woord beitel wordt bij boot besproken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

beitel. Sommigen houden nhd. beutel ‘beitel’ voor identisch met beutel ‘dorsvlegel voor vlas’, dat een ndd. vorm is bij ohd. bôʒan ‘slaan, stoten’ (zie aanbee1d).
(Slot). Waarschijnlijk is het onder boot genoemde beitel toch hetzelfde woord; vgl. schuit naast mnd. schûte ‘spade, schop’ en snik I, mnl. snicke, naast Teuth. snicke ‘snijwerktuig’, dial. snik ‘kerfbijl’. Stoett Tschr. 38, 155.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beitel m., Mnl. beitel, bêtel, overgegaan in ’t Hgd. als beiszel en beutel, van denz. stam als ’t enk. imp. van bijten in de oorspr. bet. van splijten (z. bijt).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

beitel: “stuk snygereedskap”; Ndl. beitel (Mnl. beitel/betel, lg. nog in Vl.), Hd. beutel/beissel (naas meissel) hou verb. met ww. byt, maar Ndl. ei/ij en Afr. ei/y nog nie heeltemal bevredigend verkl. nie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beitel ‘stuk gereedschap’ -> Noors beitel ‘stuk (houw)gereedschap’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests peitel ‘stuk gereedschap’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch † bétel ‘stuk gereedschap’; Creools-Portugees (Ceylon) bytel ‘stuk gereedschap’; Japans baito ‘stuk gereedschap’; Papiaments beitel, beitu ‘stuk gereedschap’; Sranantongo beitri ‘stuk gereedschap’; Aucaans beiti ‘stuk gereedschap’; Saramakkaans betè ‘stuk gereedschap’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beitel* stuk gereedschap 1320 [Claes Tw. 11]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut