Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beieren - (luiden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beieren ww. ‘luiden’
Mnl. beiaerden, beieren ‘de klok luiden’ [1407-32; MNW]; nnl. beieren ‘klokkenspel laten horen, de klok luiden’.
De herkomst is onzeker. Mogelijk hoort beieren bij de Limburgse dialectvorm beien ‘met een hard voorwerp slaan’ (FvW); het zou daar dan een frequentatief van zijn, net als vnnl. beiren ‘razen, tieren’ [1630; WNT beiren] (FvW). Zie ook → beiaard.
Het Duits heeft beiern ‘beieren’ overgenomen uit het Middelnederlands; ook Fries beierje.
Lit.: D. Fagot (1958) ‘Beiaard’, in: Album Edgar Blancquaert, Tongeren, 373-379

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beieren* [luiden] {beyeren, bayeren <1373>} vermoedelijk klanknabootsend gevormd, vgl. beiaard.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beieren ww., mnl. beieren, beiaerden “de klok luiden”. Hierbij mnl. oud-nnl. en dial. nnl. beiaert m. “klok, klokkenspel”. Ook laat-mnd. beiern (waaruit nhd. beiern) “met den klepel tegen de eene zijde van de klok slaan, de klok luiden”. Wsch. onomatop. Een gelijkluidend znw. is bij baaierd besproken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

beieren. Niet aannemelijk is de gissing van Vercoullie Vla. Acad. 1920, 792, die het woord met bei = beide combineert (oorspr.: ‘slaan met beide handen’).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beieren o.w., + Ndd. id.: wellicht van beide, d.i. met strengen aan beide handen luiden (z. Versl. VI. Acad., 1913, 688), gelijk Fr. carillonner van quadrilio, met strengen aan beide handen en beide voeten luiden. Van hier beiaard.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

beier ww.
1. Lui. 2. Swaai, slinger.
Uit Ndl. beieren (Mnl. beyaerden in bet. 1, 1729 in bet. 2), wsk. klanknabootsend gevorm n.a.v. die dawerende klank wat 'n klok maak as dit geslaan word.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beieren ‘luiden’ -> Duits beiern ‘luiden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beieren* luiden 1373 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut