Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

behouden - (blijven houden; ongedeerd)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

behawwe (ww.) behouden; Middelnederlands bihaldan <1240>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

behouden ‘blijven houden; afstand afleggen’ -> Duits dialect behaun ‘blijven houden’; Deens beholde ‘blijven houden; winnen, bereiken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors beholde ‘blijven houden, niet uit handen geven’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands behou, hou ‘bewaren, blijven houden’.

behouden ‘ongedeerd’ -> Fries behâld ‘ongedeerd’; Duits dialect behaun ‘gelukkig’; Deens behold, beholden ‘ongedeerd’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors behold ‘ongedeerd; (nog) over’ (uit Nederlands of Nederduits).

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2116. Een heele (of behouden) spekkooper zijn,

d.w.z. geluk in zijn zaken gehad hebben, een heel heer zijn; er weer bovenop zijn; eig. iemand die spek kan koopen? vgl. vetkooper. Sedert de 18de eeuw is de uitdr. bekend. Vgl. Harreb. I, 435: Het is een heele spekkooper; Boefje, 106: Z'n moeder zei glunder: 't was altijd 'n raar kind geweest; gisteren nog onder 'n hoedje te vangen.... en dat ie nou ineens weer 'n heele spekkooper was; fri. dou bist in hiele spekkeaper, een heel heer, een rijk man, iemand die een ruim bestaan heeft; Molema, 394: t' is 'n hijle spekkooper; Boekenoogen, 972: dat's een spekkooper, hij heeft geluk in zijn zaken; ook hij is een behouden spekkooper, hij is er weer bovenop, hij is boven Jan.

2346. Het veld behouden,

d.i. meester blijven; eig. gezegd van eene legermacht, die zich staande houdt, zich niet uit het slagveld laat slaan en meester blijft van het terrein; vgl. Pers, 678 a en de 18de-eeuwsche uitdr. zijn grond bewarenNdl. Wdb. V, 956.. Reeds in het mnl. dat velt behouden; ook in de 16de en 17de eeuw zeer gewoon. Zie R. Visscher, 't Lof van Rhetorica, vs. 48; Idinau, 16; Hooft, Ged. I, 131; Ned. Hist. 111; Vondel, Jeptha, 157; Gijsbr. v. Aemst. 241; Tuinman I, 242; C. Wildsch. IV, 23; Sewel, 839: Het veld behouden, to win or keep the field, to remain master of the field, to get the day; Ndl. Wdb. II, 1519; Waasch Idiot. 688 b: hij zal 't veld niet houden, zal ziek worden, zal sterven. Ook was in de 17de eeuw bekend het veld houden, dat wordt aangetroffen bij Huygens, Hofwijck, vs. 413 in den zin van meester zijn. In het hd. das Feld behalten oder behaupten; eng. to hold (or to keep) the field; to keep one's ground; fri. it fjild bihâlde.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut