Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

behendig - (vlug, handig, bijdehand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

behendig bn. ‘vlug, handig, bijdehand’
Mnl. behendeg ‘slim, scherpzinnig’ [1240; Bern.], behindeg ‘kunstvaardig, kunstig’ [1240; Bern.], behendich ‘slim, sluw, ervaren, handig’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], behindechleke (bw.) ‘arglistig’ [1276-1300; CG II, Lut.A]; daarnaast behendeleke ‘kunstig’ [1240; Bern.], behende ‘bijdehand, slim, ervaren’ [1450-1500; MNW], behende (bw.) ‘behendig’ [1450-1500; MNW].
Gevormd uit → be- en → hand met het achtervoegsel → -ig. De -i- in het achtervoegsel veroorzaakte umlaut -a- > -e-.
Mnd. behendich (nzw. behändig); mhd. behende (nhd. behände); nfri. behindich, behyndich, teruggaand op pgm. *handu- ‘hand’, zie → hand.
In het Middelnederlands bestaan er drie afleidingen naast elkaar: behende (volgens MNW onder Duitse invloed), behendelike en behendich. In semantisch opzicht leunen behendig en → handig aan bij ‘vaardig met de (rechter)hand’ (zoals Engels dexterous ‘behendig, rechts’; Frans adroit ‘handig’). Tot in de 17e eeuw hadden ze ook de betekenis ‘slim, sluw’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

behendig* [vlug] {behendich [handig, slim] 1201-1250} van hand, vgl. bijdehand, dat eveneens van lett. gebruik op overdrachtelijk overging.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

behendig bnw., nnl. behendich ‘schrander, verstandig, listig’ naast behende ‘ervaren, listig’ en als bijw. ‘nabij, wat bij de hand is’. — De grondvorm *bi-hand-ia is een afleiding van hand; zie ook handig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

behendig bnw., mnl. behendich “schrander, verstandig, listig, subtiel”. Ook komt voor: mnl. behende “ervaren, listig” en als bijw. ook “nabij” (voor de bet. vgl. bij de hand). In de laatste bet. is ’t een bijvorm van ghehende “id.” een afl. van hand (zie heinde), in de eerste = mhd. behende “geschikt, handig, vlug” (nhd. behende), mnd. behende “listig, subtiel”, ook een afl. van hand: *bi-hand-ia-. In ’t Mnl. is de vorm behendick de gebruikelijkste; ook mhd. behentic, mnd. behendich-(h)eit, -liken komen voor. Zie handig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

behendig bijv., Mnl. behendích, uitbreiding met -ig van behende = vaardig, met praef. be een afl. van hand (z. heinde).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Behendig (letterlijk: bij de hand zijnde) is afgeleid van ’t Mnl. behende = bij de hand.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

behendig ‘handig’ -> Deens behændig ‘handig’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors behendig ‘handig, ervaren’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds behändig ‘handig, makkelijk’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

behendig* handig 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut