Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

behagen - (aangenaam zijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

behagen ww. ‘aangenaam zijn’
Mnl. behagen ‘helpen, behagen’ [1201-25; CG II, Floyr.], ook behaghen en bagen (samengetrokken vorm) [1340-50; MNW], naast hagen ‘behagen’ en hegen [ca. 1405; MNW].
Gevormd uit → be-, en mogelijk het zn.haag (< pgm. *hagan- ‘omheinen, beschermen’). De grondbetekenis is dan misschien ‘met een haag afschermen’, zoals in oostmnl. hegen ‘omhagen, iemand van het nodige voorzien’; ohd. umbe-hagen ‘omheinen’ (mhd. hagen ‘omheinen, behagen’, nhd. hegen ‘koesteren; verzorgen’, (oorspr.) ‘omheinen’). Hieruit heeft zich dan de betekenis ‘zich beschermd weten, aangenaam zijn’ ontwikkeld. Een soortgelijke betekenisontwikkeling heeft zich voorgedaan bij → bevredigen.
Os. bihagon ‘bevallen, behagen’ (mnd. behagen); mhd. (be)hagen (nhd. behagen ‘behagen, bevallen’); ofri. bihagia ‘goed uitkomen, behagen’ (nfri. behaagje); oe. gehagian, onhagian ‘bevallen, passen’; on. haga ‘inrichten, schikken’ (ozw. hagha ‘passend zijn’, ouder nzw. haga ‘behagen’; nzw. behaga ‘behagen’ < mnd.); < pgm. *hagō-, samenhangend met de bn. mnl. behaghel ‘aangenaam, mooi’ [1350-1400; MNW]; mnd. behagel ‘lieflijk, aangenaam’; ohd. bi-hagan (verl.deelw.) ‘verzorgd’ (mhd. behagen ‘flink, fris, opgewekt’); on. hagr ‘handig’, hœgr ‘gepast, geschikt’.
Een vindplaats van behagen in de concrete betekenis dateert van 1292: Die behagt guet aneveert, dat metten regte es behagt ‘wie omheind goed in bezit neemt, dat terecht omheind is’ [1292; CG I, 1868].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

behagen* [aangenaam zijn] {1201-1225} naast oudfries bihagia, oudhoogduits bihagan, middelhoogduits behagen; de grondbetekenis is ‘met een haag afschermen’, vgl. middelnederlands hegen [omhagen, iem. van het nodige voorzien], ook nederlands beschutten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

behagen ww., mnl. behāghen ‘behagen scheppen in’, os. bihagon, ohd. behagen, ofri. bihagia ‘behagen’, vgl. oe. onhagian ‘goed uitkomen, behagen’, on. haga ‘inrichten, schikken’. — Te vergelijken zijn verder mnl. behaghel, mnd. behagel ‘liefelijk, aangenaam’, mhd. behagen ‘flink, fris, opgewekt’, on. hagr ‘handig’, hægr ‘gepast, geschikt’ en on. hagr ‘toestand, verhoudingen’, — oi. śaknōti ‘vermogen’, śakta- ‘in staat zijn’ (IEW 522).

Voor andere minder waarsch. verklaringen zie FW 43, zoals bij lat. incohāre ‘beginnen’, osk. kahad ‘capiat, incipiat’. — Men moet wel verband met de groep van haag aannemen, waarbij men gewezen heeft op hd. hegen ‘omheinen; verzorgen, koesteren’, waartoe men kan aanvoeren de woordgroep van wonen en wennen (Sperber, WS 6, 1914-5, 18). In de zin van J. Triers onderzoekingen kan men ook de mogelijkheid overwegen, dat de bet. verschuiving geschied is ‘omheining’ > ‘omheinde plaats, dingplaats’ > ‘wat in de dingvergadering passend en aangenaam is’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

behagen ww., mnl. behāghen “behagen scheppen in” (ook reflex. en onpers. mî behāghet met gen. of in). = mhd. (md., vanwaar nhd.) behagen, os. bihagon, ofri. bihagia “behagen”, ags. onhagian “goed uitkomen, convenieeren, behagen”, on. haga “inrichten, schikken”. Vgl. verder mndl. behāghel, oudnnl. behagel “aangenaam, beminnelijk, mooi, fier, vermetel, overmoedig”, mnd. behāgel “liefelijk, aangenaam”, mhd. behagen “flink, frisch, opgewekt”, on. hagr “handig”, hø̂gr “gepast, geschikt”. Verschillende combinaties zijn mogelijk. Als de ʒ op een idg. media aspirata teruggaat, kunnen lat. incohâre “beginnen”, osk. kahad “capiat, incipiat” verwant zijn: dan zal deze germ. basis χaʒ- in den grond wel met die van haag identisch zijn. [Men heeft ook prâkr. ča(y)a(t)i “hij is in staat”, Açoka-inscriptie čaghati “hij is bereid”, av. čag- (rafǝðrǝm) “(hulp) verleenen” met behagen enz. en lat. incohâre gecombineerd.] Minder wsch. is ’t, dat de ʒ een idg. q is en dat oi. çaknóti “hij kan, is in staat, helpt” (zie bij hengst) verwant is; men heeft ier. cêle “slaaf, knecht”, lat. cacula “oppasser van een soldaat of officier”, câlo “legerknecht, treinsoldaat” hier nog bijgevoegd, deze kunnen echter ook met obg. skokŭ “sprong”, skočiti “springen” (zie geschieden) samenhangen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

behagen. De verwantschap met haag kan semantisch enigermate worden toegelicht met de bet.-ontw. van het met haag verwante hd. ww. hegen. Ook de woordfamilie van wonen en wennen (vgl. Sperber WuS. 6, 18; zie ook wonen, wennen Suppl.) kan semantisch worden vergeleken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

behagen ono.w., Mnl. id., Os. bihagon + Ohd. bihagen, een sterk v.d. (Mhd. behagen, Nhd. id.), Ags. onhagian, Ofri. bihagia, On. haga + Skr. çaknomi = ik ben sterk, behulpzaam.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

behaag ww. Ook behae.
1. Aangenaam of welgevallig wees. 2. Aangename indruk maak, dikw. met ongunstige bygedagte.
Uit Ndl. behagen (al Mnl.), 'n afleiding met be- van verouderde hagen 'aangenaam wees' wat kom uit Mnl. hegen 'omhein, iemand van die nodige voorsien'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. behagen (13de eeu).

1behae s.nw.
Genoeë, plesier.
Uit Ndl. behagen (al Mnl.).
D. Behagen (13de eeu).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

behagen ‘aangenaam zijn’ -> Deens † behage ‘aangenaam zijn; verzoeken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors behage ‘(verouderd) aangenaam zijn; (meest met ontkenning) uitkomen, zin hebben, zo goed zijn te’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds behaga ‘aangenaam zijn; goeddunken’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands behaeg, behaegen ‘gevoel van tevredenheid hebben, aangenaam zijn’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

behagen* aangenaam zijn 1201-1225 [CG II1 Floyris]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut