Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beginnen - (aanvangen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beginnen ww. ‘aanvangen’
Onl. begunsta (pret.) ‘hij begon’ [10e eeuw; W.Ps.], beginnen [ca. 1100; Will.]; mnl. ook begennen, begonnen met preteritumvormen als began, begonde, begonste, begost.
Afleiding met → be- van een niet-overgeleverd (oorspr. sterk) werkwoord *ginnan ‘aanvangen’.
Os. biginnan; ohd. biginnan (nhd. beginnen); ofri. bigenna, biginne (nfri. begjinne); oe. beginnan (ne. begin), en met andere voorvoegsels: onl. (ha)gunnan (verl.deelw.) ‘begonnen’ [11e eeuw; CG II-1, 130]; mnl. ontginnen ‘beginnen’ (nnl. ontginnen); ohd. inginnan; oe. onginnan; got. duginnan; < pgm. *-ginnan- ‘beginnen’.
Het basiswoord *ginnan komt niet zelfstandig voor; de etymologie ervan is onzeker. Albaans ‘aanvangen’ is aangevoerd, om een wortel pie. *ghen- voor alle Germaanse vormen en het Albanese woord op te voeren. Een andere interpretatie gaat uit van een oorspr. betekenis ‘pakken, aanpakken’, vergelijkbaar met nnl. aanvangen en Latijn incipere ‘beginnen’ (bij capere ‘pakken, vangen’). Dan zou het woord kunnen komen van pie. *ghend-n- (< pie. *ghed-, waarop ook bijv. Nederlands → vergeten en Engels get teruggaan), *ghend- (IEW 437). Hiermee te verbinden zijn Latijn prehendere ‘grijpen, pakken’, Grieks khandánein ‘pakken, omvatten’ en misschien ook Oudiers ro-geinn ‘plaatsvinden, omsloten zijn’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beginnen* [aanvangen] {oudnederlands begunsta [begon] 901-1000, middelnederlands beginnen} oudsaksisch, oudhoogduits biginnan, oudengels beginnan, oudfries biginna; een grondwoord ginnen is niet overgeleverd, wel de samenstellingen ontginnen en gotisch duginnan [beginnen]; etymologie onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beginnen ww., mnl. beghinnen, os. ohd. biginnan, ofri. biienna, biginna, bigenna, oe. beginnan, got. duginnan. Het simplex *ginnan komt niet op zich zelf voor, alleen in samenstellingen, zoals ontginnen, mnl. ontghinnen ‘aansnijden, gaan bewerken, beginnen’, ohd. inginnan, oe. āginnan, onginnan, vgl. nog os. anaginni ‘begin’.

De etymologie is onzeker: 1. te vergelijken met alb. zë̄ ‘beroeren, beginnen, huren’; dan gaat het germ. woord op een wt. *ĝhen-u̯o terug (Wiedemann, BB 27, 1902, 193). — 2. Te vergelijken met lat. praehendo ‘aangrijpen’, gr. chandánō ‘aanvatten, aangrijpen’ en dan dus uit te gaan van een wt. *ghend-no, vgl. IEW 438 en Collitz, MNL 37, 274 vlgg). — 3 Bij on. gīna ‘gapen’, oe. to-gīnan, ginian ‘wijd openstaan’ en dan verder bij gr. chaínō ‘openstaan, gapen’, lat. hio, hisco (reeds J. Grimm. Gramm. 2, 810). — 4. Bij oi. hinōmi ‘aandrijven’ (A. Kuhn, KZ 2, 1853, 463). — De meeste van deze etymologieën letten te veel op zuiver formele overeenstemmingen, te weinig op de betekenis. Dat kan men niet zeggen van de eerste: hier echter is het bezwaar dat men alleen uit het germ. en alb. besluit tot een idg. wt., die dan overal elders zou zijn verdwenen. In het germ. is het woord rijk ontwikkeld; is hier substraat-werking aan te nemen? — Het ww. is sterk, maar daarnaast treden merkwaardige praet.vormen op: mnl. begonde, begonste, onfrank. begunsta, os. bigunsta, ohd. bigunda, bigonda, bigunsta, ofri. bigunde, bigonde, bigonste; deze zijn onder invloed van de praet. van gunnen en kunnen gekomen; de reden daarvoor kan niet alleen formeel zijn geweest, maar waarom dan wel, blijft onduidelijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beginnen ww., mnl. beghinnen. = onfr. beginnan, ohd. biginnan (nhd. beginnen), os. biginnan, ofri. biienna, bigenna (jongere, speciaal fri. e-vorm), biginna, ags. beginnan (eng. to begin) “beginnen”. Met andere prefixen: got. duginnan “beginnen”, ndl. ontginnen, mnl. ontghinnen “aansnijden, een snee geven in, aanvallen, gaan bewerken, beginnen”, ohd. inginnan “beginnen, een aanvang maken met”, (os. anaginni o. “begin”), ofri. *untginna (alleen untgunst “incîsus” komt voor), ags. âginnan, onginnan “aanvangen” (meer dan onginnan komt ’t o. znw. ongin “begin, onderneming, aanval enz.” voor). De praett. mndl. begonde, begonste, onfr. begunsta, ohd. bigunda, bigonda, bigunsta, os. bigonsta, ofri. bigunde, bigonde, bigonste zijn analogievormen naar de praeterita van gunnen en kunnen en de infin.- en praesensstam van mndl., oudnnl. begonnen, owfri. bigonna is weer naar dat secundaire praet. gevormd. Ofschoon het ww. *ʒinnanan alleen samengesteld voorkomt, mogen wij toch de ʒ niet volgens de wet van Verner uit idg. q afleiden en obg. po-čĭną, po-čęti “beginnen” vergelijken. De eenige plausibele combinatie is die met alb. (*ĝhenô) “ik raak aan, vang, vang aan”. Voor de bet. vgl. ndl. aan-vangen, lat. in-cipio. Germ. ʒinn- is uit ĝhen-n- of ĝhen-w- ontstaan.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

beginnen. Een ook vroeger wel voorgestelde combinatie met lat. pre-hendo ‘ik grijp’, gr. khandánō ‘ik bevat’ enz. (zie vergeten en gissen) is door Collitz MLN. 37, 274 vlg., die germ. -nn- uit vóórgerm. -nd- laat ontstaan zijn (vgl. innen Suppl.), niet aannemelijker gemaakt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

begos [+]: nog dial. in gebr. v. verl. tyd v. begin; in Mnl. is begost(e) nog gew.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beginnen ‘aanvangen’ -> Deens begynde ‘aanvangen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors begynne ‘aanvangen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds begynna ‘aanvangen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands begin, bǝgin, bigin ‘aanvangen’; Berbice-Nederlands bigin ‘aanvangen’; Sranantongo bigin ‘aanvangen’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beginnen* aanvangen 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut