Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beest - (dier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beest zn. ‘dier’
Mnl. beeste (mv.) ‘dieren’ [1253; CG I, 45], ene beste ‘een dier’, die beeste ‘het dier’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], dat beest ‘het dier’ [1458; MNW-P].
Ontleend aan Oudfrans beste [1080; Rey] (Nieuwfrans bête), via vulgair Latijn *besta ontwikkeld uit Latijn bēstia ‘(groot, wild) dier’, een woord van onbekende herkomst.
Nnd. beest (< Nederlands); nhd. Biest (< nnd.) ‘kreng; dier’ (nhd. Bestie ‘eng beest, wild dier’ stamt direct uit het Latijn); nfri. bist, beest; me. be(e)st(e) (ne. beast); nzw. best.
Oorspr., en nog in sommige dialecten en in bepaalde uitdrukkingen (zoals de beest uithangen), is dit woord mannelijk. Vermoedelijk onder invloed van het zn. dier werd beest in het Nederlands onzijdig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beest [dier] {beest(e) 1253} < oudfrans beste < latijn bestia [idem]. De uitdrukking beest zijn < frans bête [de som die men bij verlies aan de pot moet betalen], vandaar ‘alles verliezen’. De uitdrukking een beest maken [bij het biljarten: door geluk caramboleren] zal oorspr. betekenen ‘een stoot maken waar een luchtje aan zit’, vgl. een ruiker, een stinker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beest znw. o. (zuidndl. v.; vgl. nog de beest spelen; overgang van geslacht wel onder invloed van dier), mnl. beeste v., zelden beest o. < ofra. beste (nfra. bête) < vulg. lat. besta naast lat. bestia.

beest [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 229 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beest znw, o., zuidndl. v. (alg.-ndl. nog in de beest spelen), mnl. beeste v., zelden beest o. De diall., die ē en ê onderscheiden, hebben ê evenals bij feest. Vgl. ook westf. bêst. Ndl. beest is evenals mnd. bêst o. “stuk vee”, speciaal “jonge koe die nog niet gekalfd heeft”, meng. bêst (eng. beast) “beest” ontleend uit ofr. beste (fr. bête) “beest”, dat van vulgairlat. *besta naast lat. bestia “dier” komt. Voor de lange vocaal vgl. feest en zie ook bij pleister.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

beest. De geslachtsverandering wsch. naar dier.- Mnd. bêst wordt het best vertaald met ‘stuk vee’ zonder verdere toevoeging. — Rechtstreeks uit het Lat. mhd. (nhd.) bestie v. ‘beest’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beest o., Mnl. beeste, gelijk Eng. beast en Hgd. bestie, uit Fr. beste, bête, van Lat. bestiam (-ia), reeds bij Plautus ook scheldwoord: Idg. dhṷes-dhiâ (z. dier).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bies (zn.) beest, dier; Nuinederlands beeste <1253>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

bibiesjke, zn.: beestje (kindertaal). Lalwoord met reduplicatie van bi < biesjke ‘beestje’, waaruit ook Waals bîbisse ‘beestje’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

biesj, zn.: vlees. Dial. uitspraak van beest.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

bees s.nw.
1. Groot, mak soogdier. 2. Groot eksemplaar van iets. 3. Wrede, slegte, ongeskikte persoon.
Uit Ndl. beest. Ndl. beest 'grootvee' word deur boere in verwysing na hul vee gebruik. Eerste optekening in vroeë Afr. in bet. 1 in die samestellings rúnderbeesten (1744) (Resolusies van die Politieke Raad, C.122) en trekbeesten (1747) (Resolusies van die Politieke Raad, C.125), waarna in Afr. by Pannevis (1880), by Mansvelt (1884) in die vorm bees(t) en by Du Toit (1908).
Die ontstaan van Eng. beast (1812) is deur vroeë Afr. beest beïnvloed (Silva 1996).

besie s.nw.
1. Enigeen van verskeie insekte. 2. Klein, jong bees.
Uit Ndl. beestje (1896 in bet. 1). Eerste optekening in Afr. by Du Toit (1908) in die vorm besi 'alle klyne diirtjiis, veral insekte'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bees: “rund” (Bos taurus); Ndl. beest, “dier” (van ’n insek tot ’n walvis), vandaar vroeër, soos o.a. by vRieb, koebeest (duidelikheidshalwe naas beest), maar 17e-eeuse Ndl. en dial., asook by vRieb, as simp. en in ss. in Afr. bet. (Scho TWK/NR 7, 1, p. 28-9); Mnl. beest(e), Eng. beast uit Ofr. beste (Fr. bête) via Ll. besta uit Lat. bestia, wu. Hd. regstreeks bestie; vRieb gebr. dikw. as koll. in bet. “vee” beestiael/bestiaal (eint. b.nw.), nog in SNdl. (by Kil beestalie) uit 17e-eeuse Fr. bestial, “vee”.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

beest: onmens; bruut; wreedaard; onredelijk iemand. In deze betekenis reeds opgetekend bij Hooft. Soms ook: beestmens. De wrede Duitse commandant van het concentratiekamp van Belsen Josef Kramer (1906-1945) ging de geschiedenis in als het beest van Belsen. Het beest van Buchenwald was Ilse Koch, de echtgenote van een commandant in het nazi-concentratiekamp van Buchenwald (Oost-Duitsland). Enfant terrible Jan Cremer werd in de jaren zestig het Beest genoemd (vanwege zijn ‘peinture barbarisme’?). Lui beest zegt men tegen een luiaard. Een populaire uitdrukking is de beest spelen (uithangen): zich brutaal, onmenselijk gedragen. Verder nog: dronken als een beest; zuipen als een beest. Volgens Hoppenbrouwers was het woord erg populair in de jeugdtaal van de jaren negentig. Ook in andere talen, zoals het Frans: animal (o.a. bij Molière).

Lui beest, leg je nogal op je bed? (Nicolaas Beets, Camera Obscura, 1883)
En hoe dat die kerte het geile beest kan verdragen, versta ik ook niet. ’t Moet zijn dat er haar schoot op gesteld is. (Herman Teirlinck, Het gevecht met de engel, 1952)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

beest (Oudfrans beste)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Het beest, de duivelse figuur uit de Openbaring, de antichrist; (fig.) het kwaad; demonische, antichristelijke macht.

Vanaf hoofdstuk 11 treedt in het boek Openbaring, dat visioenen van Johannes bevat, het beest op, een demonisch wezen dat alles vernietigt wat het christelijke geloof nastreeft. 'Wanneer zij hun getuigenis hebben afgelegd, zal het beest dat uit de onderaardse diepte opstijgt de strijd met hen aanbinden, hen overwinnen en hen doden' (Openbaring 11:7, NBV). Ook nu wordt er naar kwade machten wel verwezen met dit beest. Zie ook Getal.

Leuvense Bijbel (1548), Openbaring 11:7. Ende als si hen ghetuygenis sullen voleynt hebben, dan sal die beeste die vanden afgront opgheclommen is, teghen hen eenen strijdt houden.
Daar dringen die dingen / die ik niet noemen kan / van toen luidruchtig aan / over de zieke velden / onder de nevel van gevaar / waaruit de tankdivisies rijden van het Beest. (J.B. Charles, De gedichten tot 1963, 1963, p. 82)
In ieder van ons huist iets van het Beest, wij zijn allen getekend. (J. Mens, De witte vrouw, 1987 (1952), p. 67)
Hij kende Openbaringen uit zijn hoofd. Ik zei weleens dat 'het beest uit de zee' net zo goed een kreeft kon zijn maar hij wist onomstotelijk dat het een Narwal was. (J.M.A. Biesheuvel, Zeeverhalen, 1985, p. 85)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beest ‘dier; slechterik’ -> Duits Biest ‘dier; loeder’; Deens bæst ‘scheldwoord voor dom, onbeschoft persoon; wild dier’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors best, beist ‘(wild) dier; scheldwoord voor onbeschoft persoon’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds best ‘(wild) dier’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands beest, bēs ‘dier’; Sranantongo beist ‘(wild) dier; slechterik, ellendeling’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beest dier 1253 [CG I1, 45] <Frans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

beest: een — van een..., jeugdtaal, vaak schertsend, voor personen of zaken die erg goed zijn in hun soort: een beest van een plaat, versterker, film, gitarist enz.

De Philips FA 960, een ‘beest’ van een versterker. (advertentie in Backstage, januari 1987)
... een beest van een hitsingle. (Muziek Expess, oktober 1987)
... een beest van een gitarist. (Oor, 17/10/87)

-beest, in vele samenstellingen zoals podiumbeest, showbeest, gitaarbeest, radiobeest: iemand die erg gedreven is in iets, zich volledig uitleeft in zijn vak of hobby. Informeel; sinds eind jaren zeventig.

Ben jij een radiobeest? (Humo, 30/05/85)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

180. Beest zijn,

d.i. in het kaartspel geen enkelen slag halen en den geheelen pot moeten inzetten; in de 18de eeuw vrij gewoon (zie o.a. Van Effen, Spect. III, 492). De uitdr. is ontleend aan het Fransch, waar men onder la bête verstaat de som, die men bij verlies in den pot moet betalen; onder faire sa bête verstaat men ‘zich beest maken’ en onder gagner la bête den pot winnen. Vandaar bij ons iemand beest maken, iemand doen verliezen, dial. iem. kapot speulen; beest zijn, alles verloren hebben. Vgl. voor een dergelijke ontwikkeling het fr. faire un capot naast faire qqn capot en être capot; eng. to capot. Ook in het hd. kent men labet werden, jemanden labet machenMolema, bl. 239 a citeert een hieraan ontleend adj. lebijt, lebait, onwel, krank, ziek, en verwijst naar het oostfri. labét, krank, kaput, en het westfaalsche labêt, erschöpft, entkräftet.; bete werden; bete machen; eng. to be beasted.

181. Een beest maken.

Hieronder verstaat men in het biljartspel een stoot maken waarbij men, zonder er op gespeeld te hebben, een bal maakt of caramboleert; ook wel een Arabier genoemd (Ndl. Wdb. II, 577). Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 2198: beest, onbehendige, slechte stoot, die toch goed uitvalt. Let men op synonieme zegswijzen als een zwijn; een vieze, smerige, vuile balS.S. Hoogstra in de Sollicitant, 9 Mei, 1900., ook wel een ruiker, een stinker(t) of een ui geheeten (Köster Henke, 57; 66; 70), op het hd. Schwein, grober Fehler (Grimm, IX, 2441), Ferkel, entstellendes Versehen, ndl. een varken maken, een misslag begaan (V. Eijk, II, 87), dan zal de grondgedachte onzer uitdr. wel zijn een stoot waar ‘een luchtje aan zit’. De Duitschers spreken van een Fuchs en van fuchsen ‘Bälle machen an die man nicht gedacht hat’, maar ook geluk hebben, veel winnen, syn. van sauen, waarvoor wij ook zeggen zwijnen; hd. Schwein habenKluge, Studentenspr. 91; Schrader, 200..

182. De beest spelen,

d.w.z. zich gedragen als een beest; opspelen, zich brutaal gedragen. Het lidw. is te verklaren uit het vroegere geslacht: mnl. beeste (ofr. beste) dat vrouwelijk was, en het nu nog in Vlaanderen is. Vgl. Teirl. 110: de beeste spelen, de beest' uithangen; evenzoo in Antw. Idiot. 195. Bij De Bo, 90: de beeste spelen, van de beeste maken, een helsch leven maken. De uitdr. dateert uit de 17de eeuw. Zie het Ndl. Wdb. II, 1331; vgl. het fr. faire la bête en het 17de-eeuwsche: de beest maken. In Noord-Braband: den beest speulen (Onze Volkstaal I, 196), zooals ook voorkomt in V. Janus, 3, 43.

621. Hoe grooter geest, hoe grooter beest.

‘De ondervinding heeft dikwyls geleert, dat de schranderste vernuften en grootste konstenaars, de ongebondenste lichtmissen zyn: waaruit dit spreekwoord gesproten is’ zegt Tuinman I, 202, naar aanleiding van het spreekw. de grootste geesten, de grootste beesten. Bij Goedthals, 63: Hoe meerder constenaer, hoe meerder dueghniet, bons ouvriers sont gaudisseurs et peu riches; Bank. I, 12: De gauste geesten werden dickwils de grootste beesten; ook II, 256; Harreb. I, 42 a; Ndl. Wdb. IV, 729. Syn. van hoe grooter schilder, hoe wilder (Smetius, 61); hoe geleerder hoe verkeerder (Spieghel, 128; Ndl. Wdb. IV, 1099; Wander I,1532). In Zuid-Nederland: hoe grooter geest, hoe grooter of meerder beest; fri.: ho greater geest ho greater beest; Eckart, 147: hoe grôter Gêst, hoe grooter Bêst.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut