Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beer - (mensendrek, gier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beer 3 zn. ‘mest, poep’
Onl. in de plaatsnamen Birni ‘Bern (Gelderland)’ [709; Gysseling 1960, 128] en Birbais ‘Bierbeek (Brabant)’ [1034; Gysseling 1960, 141]; mnl. bere ‘drek, slijk’ [ca. 1380-1425; Toll.], beer [ca. 1500; MNW]; vnnl. ook berm(e), barm ‘beer, dikke modder; etter, gif’ [1599; Kil.].
Mnd. barm, berm ‘gist’ (nhd. Bärme); oe. bearm, beorma ‘gist, droesem’ (ne. barm).
Buiten het Germaans verwant met Latijn fermentum ‘gist’ (zie → fermenteren) < pie. *bher- ‘opborrelen’, maar gezien het betekenisveld en deze beperkte verspreiding is het wrsch. een substraatwoord.
Kil. 1588 heeft vormen met -n-: bern(e), breyn ‘drek, mest’, die misschien beïnvloed zijn door Oudfrans bren, bran ‘zemelen’ [12e eeuw].
Tegenwoordig is het woord verouderd, behalve in de samenstelling beerput [1879; WNT ton I].
Lit.: Taalatlas 1, 7 (gier)

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beer3* [mensendrek, gier] {in de plaatsnaam Birni, nu Bern (N.-Br.) <709>, bere [aalt, drek, mest, modder]} middelnederduits barm, berm, oudengels beorma [idem]; op dezelfde i.-e. stam stoelt latijn fermentum [gist].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beer 4 znw. m. ‘drek’, mnl. beer m. ‘drek’, bere v. ‘dikke, weke stof, modder, slijk’, daarnaast bij Kiliaen berm, berme, barme ‘crassamen, sanies’, mnd. barm, berm (> nhd. bärme), oe. beorma m. (ne. barm) ‘gist, bierdroesem’. — lat. fermentum ‘gist’ bij de idg. wt. *bher ‘opborrelen (van kokend water).

De wortel *bher heeft de volgende afl.
*bhereu zie: brouwen en bron
*bhrenu zie: branden.
De vorm bern(e), breyn bij Kiliaen beschouwt FW 41 terecht niet als oorspronkelijk. Naast gier en aalt treedt het woord beer op in Oost-Vlaanderen, Antwerpen en Brabant (zie A. P. Kieft, Taalatlas afl. 1, 7).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beer IV (drek), behalve in de samenst. beerput alleen nog in België en noordndl. diall. gebruikelijk, mnl. beer m. “drek”, bere o. “dikke, weeke stof, modder, slijk”. Wapene Rogier 595 rijmt bere op wēre; dat is echter niet absoluut bewijzend voor de ē-qualiteit van de vocaal; evenmin behoeft omgekeerd Goereesch ir een ê uit ai te hebben, want beer II luidt eveneens ir. Een etymologie is dan ’t gemakkelijkst te geven als wij van bēr, bēre uitgaan, vgl. dan Kil. “berm, berme, barme. Sax. Sicamb. Faex, crassamen, sanies”, mnd. barm, berm m. (waaruit nhd. bärme v.), ags. beorm(a) m. (eng. barm) “gist, droesem (vooral van bier)”. Men verbindt dit woord met lat. fermentum “gist”; wellicht zijn beide woorden verwant, maar onafhankelijk van elkaar gevormd: fermentum kan uit *fervimentum ontstaan zijn, een afl. van fervere “bruisen, zieden”. Evenzoo is ook alb. brumɛ “gist” een speciaal alb. formatie van de basis bhru-, bhereu-. Al deze vormen behooren bij den idg. wortel bher- “in beweging zijn, koken”, waarvan o.a. ook lat. fertum, “offerkoek uit gemalen gerstkorrels, olie en honig” en de bij branden, bron en brouwen besproken woorden, die gedeeltelijk den verlengden wortel bhereu- bevatten, waarvan ook lat. fervere en alb. brumɛ komen. Opvallend zijn de vormen bern(e), breyn “drek” bij Kil., maar ’t zijn zeker geen oudere vormen van mnl. beer, bere; Kil.’s toevoeging “vetus” wijst er op, dat hij het woord niet uit de gesproken taal kende.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

beer IV (drek). ‘Ags. beorm(a)’ lees: ‘ags. beorma’. Voeg bij: os. and-bermian ‘defaecare’ (slot v. h. art. berm).
Lat. fertum ‘offerkoek’ < ferctum kan wel met de hier bedoelde wortel in verbinding staan, maar is in ieder geval daarvan niet zo rechtstreeks afgeleid als de redactie in het art. zou doen vermoeden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beer 5 m. (drek), Mnl. bere = modder: komt elders niet voor; misschien hetzelfde woord als bern, breyn bij Kiliaan, hetwelk uit Ofra. bren (Eng. bran, Nfra. bran) = afval, drek, van Kelt. (Ier. en We.) bran = kaf.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

beer. Synoniem met dit woord is gier. Meestal betekent het ‘menselijke uitwerpselen’. Als men iemand toevoegt zak in de beer!, dan is dat een verwensing die voortkomt uit irritatie, ergernis of woede, en soms ook uit minachting en onverschilligheid. De betekenis is momenteel zoiets als ‘ik hoop dat er iets vreselijks met je gebeurt’ en wat minder sterk ‘je kunt me wat, stik, barst’. → zakken.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beer* mensendrek, gier 0709 [Claes Tw. 11]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut