Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beer - (roofdier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beer 1 zn. ‘roofdier’
Mnl. als toenaam in willelmum bere [1210-20; CG I, 13], bere [1260-80; CG II, Nibel.], beere [1287; Nat.Bl.D], witte baren (mv.) ‘ijsberen’ [1287; Nat.Bl.D].
Os. -bero (in persoonsnamen); ohd. bero (nhd. Bär); nfri. bear; oe. bera (ne. bear); on. bersi (met -s-achtervoegsel) ‘beer’, bera ‘berin’, björn ‘beer’ (nzw. björn); < pgm. *bera(n), *-bernu- ‘beer’.
Misschien bij de wortel pie. *bher- ‘glanzend, lichtbruin’, zie → bruin. Men heeft het woord willen afleiden van andere woorden voor ‘bruin’, maar Litouws béras ‘bruin’ (en dus niet ‘beer’) komt uit pie. *b(h)eh1ro- en kan niet met de Proto-Germaanse stam verbonden worden. De benaming ‘het bruine dier, Bruintje’ werd gebruikt om een door taboes omgeven ouder woord (dat verwant kan zijn geweest met bijv. Latijn ursus of Grieks árktos, zie → arctisch) te vermijden. Er bestaan meer taboevermijdende benamingen voor de beer, zoals Oudkerkslavisch medvědĭ ‘honingeter’ en oe. bēowulf ‘bijenwolf’. Ook in het Middelnederlandse Reinaert-verhaal heet de beer Bruun ‘Bruin’.
Oorspr. duidde het woord alleen de bruine beer aan; in het Middelnederlands begon het reeds een verzamelnaam te worden voor onder meer ook ijsbeer, zwarte beer enz.

EWN: beer 1 zn. 'roofdier' (1210-20*)
ANTEDATERING: terram wilkins berren 'het land van Willekin (de) Beer' [1212-23; VMNW]
{* De datering van de eerste attestatie moet zijn: [1232-33; CG I, 13].}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beer1* [roofdier] {in de persoonsnaam Willelmum Bere 1260-1280} oudhoogduits bero, oudengels bera, oudnoors bjǫrn; het woord betekent ‘bruin’: litouws bėras [bruin]; de i.-e. benaming van de beer is een geheel andere (bv. latijn ursus); verondersteld wordt, dat zich bij de Germaanse jagers een taboe heeft ontwikkeld op het rechtstreeks noemen van de naam. Vgl. voor de betekenis bever.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beer 2 znw. m. ‘wild dier’, mnl. bere, ohd. bero, oe. bera. Grondvorm *beran-, waarnaast *bernu in on. bjǫrn ‘beer’, vgl. oe. beorn ‘krijger, aanvoerder’. — Eig. betekent het woord ‘het bruine dier’, vgl. lit. béras ‘bruin’.

Het woord zal dus een noa-term zijn om het door een sterk taboe getroffen oude woord te vermijden. De idg. naam is oi. ṛkṣa-, gr. árktos, lat. ursus, miers art, arm. arǰ, waarvan de grondvorm onzeker is: *ṛḱþos? (IEW 875). Het noa-woord is dus opgekomen in het germ.-baltische gebied.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beer II (verscheurend dier), mnl. bēre m. = ohd. bëro (nhd. bär), ags. bëra (eng. bear) m. “beer”. Naast *ƀeran- ook *ƀernu- in on. bjǫrn m. “beer”. Voor de suffixwisseling vgl. arend. Verwant met oi. bhalla-, bhallaka-, bhallŭka- ”beer”, met ll uit rl; de woordgroep van russ. berlóga “leger van een beer”, russ.-ksl. bĭrlogŭ, brŭlogŭ “latibulum”, serv. bŕlog “hoop vuil, nest van een dier, ligplaats van een zwijn” is ten onrechte hierbij gebracht. De idg. stam *bher(o)- “beer”, waarop beer enz. wijzen, kan oorspr. “bruin” beteekend hebben en ablauten met lit. bĕras “bruin” (zie ook bruin). Een opvallende vorm, moeilijk van beer te scheiden, is Kil. bors (“Holland”.) “beer”. Een andere idg. beer-naam is ier. art, lat. ursus, gr. árktos (en árkos), alb. arí, oi. ṛ́kṣa-, wsch. ook arm. arǰ, “beer”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

beer II (verscheurend dier). Misschien mogen we een zijdelings getuigenis van het got. woord voor ‘beer’ zien in baira-bagms m. ‘moerbeiboom’. De naam van deze plant zou dan volksetymologisch met got. *baíra ‘beer’ in verband zijn gebracht. Vgl. eng. bearberry = ndl. berendruif = hd. bärentraube, noorw. bjørnebær, zw. björnbär ‘braam’. — Ags. beorn m. ‘strijder, held’ staat formantisch dicht bij, of is identisch met on. bjǫrn.
Het is hoogstwaarschijnlijk, dat de germ. benaming „de bruine’, die geheel apart staat (of oi. bhalla-, bhallaka-, bhallū̆ka- in dit verband hoort, is zeer twijfelachtig), is opgekomen ter vervanging van het kennelijk idg. woord voor ‘beer’: ier. art, lat. ursus enz., dat taboe was geworden. In het Baltisch-Slavisch is — wsch. om dezelfde reden — het idg. woord door een jonger vervangen: Meillet Lingu. hist. et lingu. gén. 282 vlgg.
Kil. bors, oudndl. bors(s)e herinnert aan on. bërsi m. ‘mannetjesbeer’ (or < er vóór dentaal? vgl. de bij dertien, pers, vers[ch] genoemde nevenvormen met -or-). De spelling met -ss-is echter vreemd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beer 1 m. (wild dier), Mnl. bere + Ohd. bero (Mhd. ber, Nhd. bäre), Ags. bera (Eng. bear), On. bjǫrn (Zw. björn, De. bjorn) + Lit. bëras = bruin. — Het is een zelfst. gebr. adj. = bruin, zijnde verwant met bruin; vergel. Bruin, den naam van den beer in de diersage. Van dit w. is beer = schuld (Fr. loup) een overdracht. toepassing.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

beer (zn.) roofdier; Middelnederlands bere <1260-1280>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1beer s.nw.
1. Plomp roofdier met 'n dik pels, klein ogies, 'n kort stert en krom naels. 2. Mannetjiesvark. 3. (sterrekunde) Enigeen van twee sterrebeelde aan die noordelike hemel. 4. Lomp, onbeskofte persoon. 5. Spekulant wat aandele verkoop vir aflewering op 'n latere datum in die hoop dat pryse in die tussentyd sal daal en hy dit voor die afleweringsdatum teen 'n laer prys sal kan aankoop.
In bet. 1 - 4 uit Ndl. beer (Mnl. bere in bet. 1 en 2, 1855 - 1869 in bet. 3, 1866 in bet. 4). In bet. 5 uit Eng. bear (1719). Die sterrebeelde word so genoem omdat hulle onderskeie vorms aan 'n beer herinner. 'n Lomp, onbeskofte persoon word so genoem omdat sodanige kenmerke aan die lompheid en aggressiwiteit van 'n beer herinner. Eerste optekening in Afr. in bet. 1 en 2 in Patriotwoordeboek (1902).
Die spekulant in aandele, waarna tans in Eng. met bear verwys word maar waarna vroeër met bearskin jobber verwys is, word blykbaar so genoem n.a.v. 'n uitdr. uit die 18de eeu wat lui dat jy die beerpels verkoop voordat jy die beer gevang het.
D. Bär (8ste eeu).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

beer (de, beren), (veroud.) syn. van tamanwa*: z.a. - Etym.: Alleen bij Warren (vert.) 1669: 10. Vgl. AN mierenbeer = id.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Beren op de weg zien, irreële zaken als excuus gebruiken om af te zien van een bepaalde onderneming; bang zijn voor ingebeelde gevaren. Ook met leeuwen en beren of andersom.

De uitdrukking bevatte oorspronkelijk leeuwen, maar wij kennen haar vooral met beren of leeuwen en beren (en soms beren en leeuwen). Beren en leeuwen worden in de bijbel regelmatig in één adem genoemd, onder meer in Amos 5:19, 'Zoals wanneer iemand die vlucht voor een leeuw, aangevallen wordt door een beer, en dan, als hij een huis binnenvlucht en met zijn hand tegen de muur leunt, gebeten wordt door een slang' (NBV, vergelijk ook Spreuken 28:15 en Jesaja 11:7). De bron van de uitdrukking is Spreuken 22:13, 'Een luiaard zegt: "Buiten loopt een leeuw, die zal me verscheuren"' (NBV) gecombineerd met Spreuken 26:13, 'Een luiaard zegt: "Er is een leeuw op de weg, er sluipt een leeuw in de straten"' (NBV). De oorspronkelijke betekenis is dus: het gebruiken van onwaarschijnlijke argumenten om ergens onderuit te komen, irreële zaken als excuus gebruiken. Daarom zijn (leeuwen en) beren op de weg zoveel als bewust opgeworpen obstakels, vergezochte tegenwerpingen. Daarnaast zijn het ook ingebeelde problemen of problemen die men zich te overdreven voorstelt.
Dat de leeuwen in het hedendaagse Nederlands vaak niet meer in deze uitdrukkingen voorkomen, is mogelijk een ontwikkeling die geografisch bepaald is. In onze streken is het onmogelijk om zomaar een leeuw tegen te komen. Beren zijn echter in het verleden ooit inheems geweest.

Liesveldtbijbel (1526), Spreuken 22:13. Die trage seit, daer buten is een leeuwe Ick mocht uerworcht werden opter straten.
Waar de vakcentrale FNV nogal wat beren op de weg ziet en een afwachtende scepsis praktizeert, signaleert het werkgeversverbond VNO interessante vernieuwingen die hoopvol stemmen. (NRC, aug. 1994)
Ook vrouwen zijn behept met vooroordelen en verongelijktheid. We zien beren op de weg, waar ze misschien niet meer zijn. (N. Noordervliet in T. Streng, Geschapen om te scheppen? Opvattingen over vrouwen en schrijverschap in Nederland, 1815-1860, 1997, p. viii)
U moet niet zo piekeren. U ziet overal leeuwen en beren op uw weg. (N. van der Zee, Zuster Juuls Ereprijs, z.j. (1963), p. 32)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beer ‘roofdier; (overdrachtelijk) draagbeer’ -> Papiaments ber (ouder: beer) ‘roofdier; (overdrachtelijk) draagbeer’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beer* roofdier 1260-1280 [CG II1 Nibel.]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

beer: beren op de weg zien (liggen), problemen, moeilijkheden zien. In de loop van de jaren tachtig populair geworden uitdrukking.

Binnen de belastingen en de sociale zekerheid staan de oude systemen nog steeds overeind. Ik zie nog wel beren op de weg liggen, hoor. (Elsevier, 25/04/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

179. Een ongelikte beer,

d.w.z. een onbeschoft, ongemanierd mensch; hd. ein ungeleckter Bär; fr. un ours mal léché; eng. an unlicked cub. Deze uitdr. heeft haar ontstaan te danken aan het oude, reeds bij de RomeinenZie Ovidius, Metam. 15, 379-381. bestaande, volksgeloof, dat de jonge ontijdig geboren beertjes hun fatsoen krijgen, doordat de moeder ze gestadig likt. Vgl. Bartholomeus den Ingelsman, bl. 800 a: ‘Ursus dat is een beer,.... hi syn jonghen formeert mit sinen monde, als Ysidorus seit, want si sijn eerst als een stuck vleysch, dat die moeder al leckende vormt alst wesen sal, ende dat is daerom want die vrucht en blivet niet langhe ghenoech inder moeder lichaem’. Ongeveer hetzelfde leest men bij Maerlant, Nat. Bl. II, 3793: Die moeder scept die jonghe lickende met hare tonghe; Vondel II (ed. Thijm-Unger) bl. 281, vs. 302. De uitdr. zelve is het eerst in de 17de eeuw aangetroffen. Zie verder Borchardt bl. 49; Verdam in de Handelingen v.d. Maatsch. der Nederl. Letterk. 1897-98, bl. 66-68; Ndl. Wdb. X, 1617; II, 1321.

979. Men moet de huid van den beer niet verkoopen, voordat hij gevangen is.

Men moet niet beschikken over een voordeel of eene winst, die nog moet worden behaald; een spreekwoord blijkbaar aan een verhaal ontleend.Zie de Mémoires de Commines LIII, ch. 3; Lafontaine, V, 20. In de 16de eeuw vinden we in een stuk uit het jaar 1561: ‘Waerop Myn Heere de Cardinael (Granvelle) ten antwoorde heeft gegeven, niet gewoonlyk te zijn 't vel van den beer te deylen eer den selven gevangen zy’ (Vad. Mus. III, 37); Despars IV, 99: Voorwaer ten is gheen wijsheit yemende tvel van den beer te vercoopene eer hy ghevanghen is. Voor later tijd zie De Brune, 178:

Hy heeft vercocht het beeren huyd,
Eer hy gheworden was te buyt.

V. Lummel, 328:

Sy haecten met verlangen elck na de schoonste buyt,
Eer den beer was gevangen, verdeelde men sijn huyt.

Bank. I, 492: 't Is zotheyd, de huyd te veylen, eer de beest' in 't net is; Tuinman I, 39: Verkoopt de beerenhuid niet, voor dat gy den beer gevangen hebt; Harrebomée I, 41 a; Ndl. Wdb. II, 1321; VI, 1213; Wander II, 440; Borchardt no. 117; Bresemann, 226; fr. il ne faut pas vendre la peau de l'ours avant qu'il soit pris; hd. man musz die Bärenhaut nicht verkaufen, bevor man den Bären hat oder ehe denn der Bär gestochen ist; eng. don 't sell the bears' skin, before you have caught the bear.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut