Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

been - (lichaamsdeel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

been zn. ‘lidmaat; bot’
Onl. bein (mv.) ‘ledematen’ [ca. 1100; Will.], ook in elphondbeine ‘elpenbeen (= ivoor)’ [ca. 1100; Will.]; mnl. been ‘(onder)been, poot’ [1240; Bern.], met als mv. been ‘onderste ledematen’ [1285; CG II, Rijmb.], beenen ‘onderste ledematen’ [1290; CG II, En.Cod.], en beenre ‘botten, beenderen’ [1285; CG II, Rijmb.].
Os. bēn; ohd. bein (nhd. Bein); ofri. bēn (nfri. bien ‘bot’); oe. bān (ne. bone ‘bot’); on. bein, beinn (bn.) ‘recht’, waarbij het onduidelijk is of de betekenis van het bn. die van het zn. heeft gestuurd of andersom (nzw. ben ‘lidmaat, bot’); < pgm. *baina- ‘recht, juist’.
Het woord is louter Germaans en komt vanaf het begin in beide betekenissen voor. Verband met bijv. Latijn femur ‘dij, heup’ is aantrekkelijk, maar niet goed verdedigbaar. Gezien het betekenisveld ‘lichaamsdeel’ en de beperkte verspreiding moet hier sprake zijn van een substraatwoord.
De Middelnederlandse meervoudsvorm been is bewaard in de uitdrukking op de been ‘opgestaan, (weer) beter’, waar op de benen verwacht zou worden.
beenhouwer zn. (BN) ‘slager’. Mnl. beenhouwere [1381; Debrabandere 1993]. Gevormd uit been in de betekenis ‘bot’ en het nomen agentis houwer bij → houwen. Het woord is vergelijkbaar met het synonieme vleeshouwer en met de familienaam Beenhakker.

EWN: been zn. 'lidmaat; bot' (ca. 1100)
ANTEDATERING: fana themo. marge. an that ben 'van het merg naar het bot' [891-900; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

been* [lichaamsdeel, bot] {1201-1250} uitsluitend germ.: oudfries, oudsaksisch bēn, oudhoogduits bein, oudengels bān, oudnoors bein; etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

been znw. o., mnl. been ‘crus en os’, os. ofri. bēn, ond. bein, oe. bān (ne. bone), on. bein. Geen verwanten buiten het germ.

Dat doet veronderstellen, dat het woord binnen het germ. nieuw gevormd is; men heeft on. bein verklaard door het adj. beinn ‘recht’ en dus opgevat als ‘het rechte been’ dus vooral van de onderste ledematen (Hellquist ANF 7, 1891, 7 en Wadstein ZfdPh 28, 1895, 529); dan moet men aannemen, dat dit adj., dat uitsluitend noordgerm. is, eenmaal ook in het westgerm. bekend was, wat mogelijk is, vgl. de naam Beningen voor een vaargeul in het Haringvliet, dat ‘rechte waterloop’ zou kunnen betekenen. Men zou ook kunnen denken, dat het adj. juist van het znw. afgeleid was: beinn is dan ‘recht als een been’. — Verbinding met woorden als mnd. bunk ‘been’ en dan verder met lat. femur, osl. bedro ‘dij’ (S. Bugge, PBB 24, 1899, 459) is weinig waarsch. — Eindelijk nog minder overtuigend F. Wood, MNL 29, 1914, 69 bij lat. per-fines ‘perfringas’, osl. biti ‘slaan’, oiers benim ‘slaan’. — Evenmin overtuigend is de verklaring als leenwoord uit het keltisch en wel uit *bṇd-no ‘vooruitspringende punt’ (IEW 96-7), vgl. gall. banno, miers benn ‘horen, top’, waarvoor zie: pen) en dan uit een vorm met i-epenthesis (Ten Cate-Silfwerbrand, Vlees, Bloed en Been 1958, 153-186). — In het vla. geldt ook de bet. ‘voet’, die zeker oud moet zijn, niet alleen omdat zij ook voorkomt in een gebied tussen Rothhaargebergte en de Lippe, maar vooral omdat het in de 12de eeuw naar Oost-Thüringen en de Mark werd overgebracht, vgl. Teuchert Sprachreste 317-318 en kaart 34.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

been znw. o., mnl. been (mv. been, bêne, beenre) o. “crus, os”, ook “horen”. = ohd. bein (nhd. bein), os. ofri. bên, ags. bân (eng. bone “os”. De andere bet. komt ook in het Ags. minder voor), on. bein o. “os, crus”. De etymologie van germ. *ƀaina- is onbekend, de combinatie met den lat. r-n-stam femur (ook fêmur?), gen. feminis “dij” is niet aannemelijk. Aangezien *ƀaina- alleen in ’t Germ. voorkomt en er een alg.-idg. woord voor “bot” bestaat [kymr. asgwrn < *ost-kornu “been”, lat. os, ossis, gr. ostéon, alb. ašt, arm. oskr, oi. ásthi, gen. asthnáḥ “bot”, waarbij misschien ook obg. kostĭ “id.” (vgl. echter lat. costa “rib”) hoort], zal de bet. van *ƀaina- oorspr. niet “bot” zijn geweest, wellicht was het vroeger de naam voor een bepaald bot, misschien beteekende het eenmaal “staak”. Dan zou het met on. beinu “recht” gecombineerd kunnen worden. Doordat de grondbeteekenis in zooveel richtingen gezocht kan worden, moet ook verwantschap met obg. biti “slaan” (zie bijl), hoewel hypothetisch, voor mogelijk gehouden worden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

been. Bij het tussen [ ] vermelde idg. woord voor ‘bot’: de grondvorm *ost-kornu voor kymr. asgyrn ‘been’ is niet zeker: vgl. WP. I, 186. Dat het woord in dit verband hoort, staat echter buiten twijfel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

been o., Mnl. been, Os. bên + Ohd. bein (Mhd. en Nhd. bein), Ags. bán (Eng. bone), Ofri. bén, On. bein (Zw. en De. ben), Go. bain (in baina-bagms): meest overal = os en jambe: niet buiten het Germ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bein (zn.) been; Aajdnederlands bein <1100>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

been (het, benen), (ook, niet alg.:) graat. Wat is er met Leonietje? - Ze geeft een krobia*-been* in d’r nek, me zus (Helman 1954a: 10). - Zie ook: ontbenen*.
— : derde been (het, benen), (gemeenz.) penis. - Etym.: Vgl. tussenbeen* (syn.) en middenvoet*. - Syn. ook toli* (zie voor andere syn. aldaar).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

been ‘onderste lichaamsdeel’ -> Fries bien: op 'e bien bringe, hâlde, komme, wêze ‘op de been brengen’.

been ‘bot’ -> Fries bien: gjin bien yn eat fine, sjen ‘geen been in iets vinden, geen bezwaar tegen iets maken’; Negerhollands been, bēn ‘bot’; Berbice-Nederlands been ‘bot’; Arowaks bèna ‘bot, geraamte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

been* onderste lichaamsdeel 1100 [Willeram]

been* bot 1477 [Teuth.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

177. Iemand (een) beentje lichten (of zetten),

d.w.z. iemand bij het worstelen onverwacht doen vallen door hem den voet te lichten; bij overdracht: iemand onderkruipen; Sewel, 67: iemand een beentje zetten, to supplant one; Halma, 46: iemand een beentje of een voetje zetten, donner à qqn. le croc en jambe; Harreb. I, 40 en de syn. uitdr. iemand den voet lichten (zie ald.), dat Halma verklaart door: iemand uit zijn ambt zetten; mnl. enen scrinkelen; bij Kiliaen: iemand een voetken setten; hd. einem ein Bein stellen; fr. donner un croc-en-jambe à qqn.; jouer qqn. sous les jambes.

350. Een brekebeen,

eig. iemand die zwakke beenen heeft en ze licht breekt; vandaar: een sukkel, een knoeier; beunhaas. Sedert de 17de eeuw bekend; Ndl. Wdb. III, 1226; Sewel, 142: Breekebeen, a pityfull workman; Molema, 184 a en voor de vorming Wilmanns, Deutsche Grammatik1, II § 304.

172. Het zijn sterke beenen, die de weelde kunnen dragen,

d.w.z. in voorspoed gaat men zich allicht te buiten; Ndl. Wdb. II, 1305. Zie voor de 16de eeuw Campen, 10: Het moeten stercke beenen syn, die guede daghe verdraegen connen, waarmede te vergelijken is Goedthals, 43: De goede dagen canmen alder qualicst verdragen. In de 17de eeuw is de zegswijze zeer gewoon; zie o.a. Spieghel, 129; Cats I, 471; Van Moerk. 355; De Brune, Embl. 135; Asselijn, 279, enz. en vgl. verder Taalgids IV, 273; Harrebomée I, 40 a; III, 120; Waasch Idiot. 96 a; Wander I, 300: Es mussen starcke beyne seyn, die gute tagen konnen ertragen; fri. It binne sterke skonken dy't de weelde drage kinne.

173. Met het verkeerde (of het linker-) been uit het bed stappen,

d.w.z. slecht gehumeurd zijn; zijn (zachte) hemd verkeerd aanhebben (17de eeuw); ook hij is met het linkerbeen uit het bed gestapt, dat we met een kleine variatie lezen in de Gew. Weuw. II, 7: 'K ben links opgestaan, dan ben ik wat baloorig, dat nog in Holstein luidt: He is mit dat linker Been toerst ut dem Bedde komen (Taalgids IV, 279); of verkeerd opstaan (in Snorp. 33); averechts opstaen (Coster, 29 vs. 573); vgl. ook in het lat. sinistro pede profectus (wat als slecht voorteeken werd beschouwd; Journal 361); zie verder Taalgids IV, 279; Volkskunde XXIV, 151; Nkr. I, 15 Sept. p. 2; VII, 6 Dec. p. 2: Wat scheelt er aan, man? Ben je met het linkerbeen uit bed gestapt? Allerz. 75: Stap jij nou nooit is met je goeie been uit bed? en Fri. Wdb. I, 94 b: Mei de forkearde foet fen 't bêd ôf komme: Teirl. 108: Mee zij' slenk been uit 't bedde stappen of opstaan. Synoniem is het bij Sart. IV, 10, 62 voorkomende: Hy heeft sijn hemdt verkeert aen, competit in hominem concitatiorem ac rixosum. Vgl. fr. se lever le cul, le derrière le premier (in 't Land van Waas: met zijn gat eerst opgestaan zijn); se lever du pied gauche; hd. mit dem linken Bein zuerst aufstehen; eng. to get (or go) out of bed the wrong foot foremost.

174. Geen been (of graten) in iets vinden (of zien),

d.w.z. iets met gemak en vlug opeten, doordat er geen beenen in zijn, en vandaar: geen bezwaren in iets vinden, geen zwarigheid maken om iets te doen, vaak in toepassing op iets dat min of meer verboden is. Zie Tuinman I, 235; II, 163; Taalgids III, 272; Ndl. Wdb. II, 1299 en vgl. Kluchtsp. I, 178: Ick speel uyt den pot wat - Waermeê speeldy? Egoy, metter pappen, daer en is geen been in; Snorp. 29: Hy vint gien bien in de beulingh, tis hum al wel hoe 't gaet; Kluchtspel III, 73: Dat smaeckt as koeckjes mit kaes, daer is gien bien in. De uitdr. komt zeer dikwijls in de 17de eeuw voor, doch veel vroeger vindt men reeds bij Goedthals, 50: Gheene graten ievers in vinden, qui ne sçait rien, rien ne doubte, dat nog in Zuid-Nederland gebruikt wordt (Waasch Idiot. 264 a). Vgl. verder Schoolm. 296: Vindje d'er ook een been in om eens een blufjen te slaan; Handelsblad, 31 Jan. 1914 (avondbl.) p. 5 k. 6: Wat jammer dat ge dit niet moogt zingen. Daar steekt toch geen kwaad bij.... ik vind er althans geen graten in; De Telegraaf, 30 Nov. 1914 p. 2 k. 3 (avondbl.): En zij die op de forten zitten, hebben er geen graten in gezien om zich te hullen in de kapotjassen der Belgische artilleristen; in het Friesch: hy fynt (of sjocht) der gjin bien yn; bij Molema, 50 a: doar vindt hij gijn bonken in; Schuermans, 35 b; Antw. Idiot. 193; Waasch Idiot. 96 a; Claes, 24: hij vindt daar geen beenen in; Hoeufft 31. Thans wordt ook gezegd: ergens geen been in zien (o.a. Amst. 24); er geen bot in zien (Dr. Bl. II, 51). Syn. is er geen knoopen in vinden (Ndl. Wdb. III, 1541); vgl. hd. er findet kein Bein darin, kein Bedenken, kein Hinderniss (Wander I, 302); eng. without finding bones in; to make (no) bones of (or about).

175. Op één been kan men niet loopen (of staan).

Deze zegswijze wordt gebezigd om iemand aan te moedigen na een glaasje nog een tweede te gebruiken; ook wel in andere soortgelijke gevallen. Vgl. Slop, 206: Oppassen, je verstand er bij gebruiken, scherpte hij zich zelf in. Toch.... op een been kan-je niet staan.... eentje nog? A. Jodenh. III, 14: Bet neemt het zakje balletjes dat zij bij Brijnie gekocht heeft, en geeft hem een. ‘Is dat alles?’ zegt Sam, aane begabbel, op één been kan 'k nie loope; H.v.Z., 600: Hier, op één been kan je niet staan. Synonieme uitdr. waren hiervoor: Ten gaet geen monic alleen; daer gaet noyt goed Monnick alleen; een goed Monik gaat niet alleen: dit gebruikt men als een beweegreden, wanneer ymand verzoekt om het by een niet te laten blyven, b.v. een glas wyn te drinken, een pyp tabak te rooken, enz. (Tuinman I, 28); de minrebroeders gaen alleen niet; de kapuciens gaan altijd getweeën. Thans nog dial. één soldaat en vecht niet; ze moeten gematen zijn. Zie De Cock1, 283; Antw. Idiot. 192; Harreb. I, 40; II, 88; III, 296-297; Taalgids V, 163; oostfri. up ên bên kan men nêt lopen; fri. op ien foet net gean kinne; fr. vous ne pouvez vous en aller aver (ou sur) une seule jambe; hd. auf einem Beine kann man doch nicht stehen! In het eng. zegt men: wet the other eye!

176. Zijn beste beentje voorzetten,

d.w.z. ‘zijn uiterste best doen om er iets goed af te brengen, inzonderheid om op anderen een goeden indruk te maken’. In de 18de eeuw: zijn beentje uitsteken (Ndl. Wdb. II, 1306) en ook het beste beentje vooruitsteken (in V. Janus III, 180, 204); vgl. het Friesch: it beste foetsje moat foar; Molema, 509 b: 't beste bijn mout veur (of veuran), alle krachten moeten worden ingespannenDr. S.S. Hoogstra gist dat hier ‘de linkervoet bedoeld is, dien men, wanneer men zijn uiterste best wil doen, b.v. bij het beuren van gewichten, bij een wedloop, een wedstrijd in het schaatsenrijden enz. steeds vooruit zet. Als analogon zou men de uitdrukking het mooie handje (geven, eten met) kunnen aanvoeren’ (Sollicitant, 9 Mei, 1900); vgl. fr. être sur le pied gauche klaar staan om te vechten?; Wander I, 1302: den bessten Fot vörsetten, das Beste zuerst; z.b. guten Wein; vgl. eng. to put one's best leg (foot) foremost (before).

261. Een blok aan het been hebben,

d.w.z. niet vrij zijn in zijne handelingen; getrouwd zijn. In de 16de eeuw komt de uitdr. in den tegenwoordigen zin voor; zie Visscher, Brabb. 37; Smetius, 85: Het is goet kinderen vroech houwelicken, een blok aent been werpen, opdatse sorgen ende sitten leeren te weeten, dieghene die wat lichtverdig ende sonder sorge zijn; V. Moerk. 484:

 Neen, bylô, geen block aen 't been, die plaegen most ick schouwen.
 Ja, voor een nachje of twee wou ik wil eens trouwen;
 Maer niet voor eeuwighlijck geef ick my tot dat werck.

Carel v. Mander:

 Wech lichte schoenen, niet meer men reyster,
 Men wort al haest geblockt vast aen de vreyster.Zie Jacobsen, Carel van Mander, dichter en prozaschrijver, bl. 133.

Bij Van Effen, Spect. VIII, 15: Zich een blok aan het been hechten (trouwen); bij Sewel 125: De jeugd heeft een blok aan het been noodig om haar wuftheid te bedwingen; een blok aan 't been hebben, to be married, to have a wife. Vgl. Ruelens I, 55: Al is een vrouwe noch soo ryck van goeye sy crijcht haest een boeye aen haer beene, ist dat sy trout. Tuinman I, 160 vat het in ruimeren zin op, nl. ‘ergens aan verbonden zijn, waardoor men belemmerd is’, en denkt aan de paarden, wien men aan een der voorpooten een blok, een kluister vastbindt, waardoor zij belet worden ‘uit de weide te springen’,Vgl. Halma, 80: Blok dat de gevangenen en de paarden aan het been hebben om niet door te gaen. Entrave; Ten Doornk. Koolm. I, 190 a: Blokken, einen Block an den Fuss legen um das Durgehen zu verhindern. een verklaring die steun vindt in het fri.: in bongelZie Ndl. Wdb. II, 1797; III, 1892. oan 'e foet habbe; in het Gron. 'n bongel an 't bijn hebben (Molema 50; 506) en 't Overijs. 'n bungel an 't bien, een lastpost (Draaijer, 7); Borchardt, 1123: he hett 'n Büngel an 't Been, d.h. er ist gehindert wie ein gebengelter Hund (Eckart, 67); nd. enen Block an 't Bên hebben, verheiratet sein (Eckart, 55). Vgl. nog Teirlinck, 108: Den blok an 't been hebben, zwanger gaan (zie ook De Cock2, 169 en Ndl. Wdb. II, 1607); Waasch Idiot. 125: Met den blok aan 't been zitten, in slechten, niet te veranderen toestand zijn; Gunnink, 113: een bongel an bien, getrouwd V. Schothorst, 113: een bongel an 't bien, een onecht kind. In de gedichten van Anna Bijns, Nieuwe Refr. 36 a worden de vrouwen tegen het huwelijk gewaarschuwd, daar zij anders ‘eenen worpriemKiliaen: Worpriem, pugillare ligamen: ligaculum quo accipiter in pugno aucupis tenetur, een dunne riem om de poot van een valk op de vogeljacht, ook een werpelinc genoemd. aen haer beenen’ krijgen.

906. Hinken op twee gedachten,

d.w.z. besluiteloos zijn; twee tegenstrijdige gedachten willen vereenigen; ontleend aan I Kon. 18, 21: Doe naderde Elia tot den gantschen volcke, ende seyde: hoe lange hinckt gy op twee gedachten? soo de Heere Godt is, volghet hem na: ende soo het Baal is, volghet hem na. Vgl. in het mnl. Ruusbr. 4, 73: Also langhe alse onse redene hout (mank gaat, hinkt) tusschen beide; Ndl. Wdb. IV, 565; in het fr. ne savoir sur quel pied danser naast clocher de deux côtés, twee heeren dienen; hd. auf beiden Seiten hinken; eng. to halt between two opinions. Syn. is op twee beenen hinken (o.a. in Ndl. Wdb. II, 1305; Het Volk, 19 Dec. 1913, p. 8 k. 3: Voor een hinken op twee beenen zooals dat van den heer Berdenis van Berlekom is het nu geen tijd). In C. Wildsch. IV, 25: Stompvoeten op twee gedachten.

919. Als twee honden vechten om een been, gaat er de derde mede heen,

d.w.z. als twee personen om iets kijven of kibbelen, raakt vaak een derde in het bezit er van. Een sedert de 17de eeuw zeer bekend spreekwoord; zie Cats, I, 422; Mergh, 58; Tuinman I, 226; II, 196; Harreb. I, 38 b en vgl. de klucht v.d. Pasquilmaecker, 24:

Daer twee honden vechten om een schinckel te kluyven,
Gaet een derde gemenelijck me hene schuyven.

In het latere mnl. was wel bekend: Daer twee honden knaegen an een been, die draegen sich selden overeen (zoo ook bij Wander II, 871; 878; Schuerm. Bijv. 125; Teirl. II, 55: twie honden an één been, twee personen die hetzelfde willen bezitten en met elkander strijden of twisten). Vgl. nog Kippenv. II, 15: Het is bij verkiezingen wel meer gebeurd dat de derde hond met het been wegliep. (Aanv.) In mlat. aufert os canibus canis unus sepe duobus.

1243. Over den kop gaan (of zijn),

d.w.z. failliet gaan (zijn), of zooals men in de Zaanstreek zegt: over de bien zijn of over oor zijn (Boekenoogen, 43 en 693); elders met de beenen in de hoogte of in de lucht liggen (Harreb. I, 40); over de beenen zijn; eene buiteling doen, maken (fr. culbuter ou faire la cabriole, la culbute). Zie Het Volk, 14 Mei 1914, p. 5 k. 2: Als 't land over den kop gaat, heeft dat papier geen waarde meer; De Arbeid, 15 Oct. 1913, p. 4 k. 1: Zoo'n werkgeefster gaat nooit over den kop; Kalv. I, 15: Als Pooter tippelt, moeten er meer over den kop; A. Jodenh. II, 39: Hij het 'n bankroet geslage, over de kop is ie. Vgl. zich niet kunnen staande houden; vallen (van eene zaak gezegd). In Limburg kent men gekoteld (eig. gebuiteld), bij overdr. failliet; fri. hy giet oer de kop; hd. ein Rad schlagen.

1503. Door merg en been.

Iets dringt of gaat door merg en been (mnl. dore eenes march; hd. durch Mark und Bein; nd. dör Mark un Bên; fr. jusqu'à la moelle des os; eng. to the marrow of one's bones; fri. troch yl en sward, ieren en sinen, door aderen en zenuwen) wil zeggen iets raakt het hart, ons binnenste, ‘beschouwd als de zetel van verterend zielelijden, hevige aandoeningen of diep ingewortelde gebreken’; Ndl. Wdb. IV, 390. Vgl. Vondel, Geboorteclock, vs. 474: Door been en merg; De Brune, Bank. II, 126: Tot in het mergh en in de gebeenten iemand kennen; Hooft, Ged. I, 71: U crachten, die mij glissen door 't merrech in 't gebeent'; Vondel, Maeghden, vs. 745:

De boosheid hecht te vast,
 Die in gebeente, en mergh van jongs op groeit en wast.

Ook is bekend (tot) in merg en been; Zuidndl. bedorven tot in 't merk van zijn beenen, dat op dezelfde wijze gebruikt wordt als (tot) in hart en nieren; vgl. Rein. 2518: Hem es dat stelen ende dat roven ende dat lieghen gheboren int been; Ndl. Wdb. VI, 27; IX, 577 en het 17de-eeuwsche door den hals, met betrekking tot gezindheden, waarvan iemand diep doordrongen is.Ndl. Wdb. V, 1659; II, 1301.

1861. Op zijne achterste pooten (of beenen) gaan staan,

ook op zijne achterpooten gaan staan, ‘eig. van een steigerend paard gezegd, maar overdrachtelijk, in gemeenzamen stijl, van personen voor: opvliegen, in drift geraken, zich driftig tegen iets verzetten’; Ndl. Wdb. I, 707; Schoolm. 16; Al stond hij ook op zijn achterste pooten; Het Volk, 15 April 1913, p. 6: We moeten maar eens op de achterste pooten gaan staan; Nkr. VII, 19 April, p. 4; De Arbeid, 24 Sept. 1913, p. 4: De parlementariers staan op hun achterste pooten in het aangezicht van de overheid; Handelingen Stat.-Gen. 1912-1913, p. 2922: Voor de belangen van de geneeskundigen zit hij te sidderen, wanneer dezen op hun achterste beenen gaan staan; Het Volk, 15 April 1913, p. 6: De heer L. betoogde dat de arbeiders op hun achterste beenen moeten gaan staan; Prikk. V, 11; Onderm. 28. Vgl. het mnl. over ende staen, overeind staan, zich verzetten; fri.: hy giet op syn efterste poaten stean; Draaijer, 1 a; Opprel, 44 a; V.d. Water, 49; Onze Volkstaal, II, 77; Rutten, 187: zich richten (vgl. fr. se dresser), zich storen; in Kl. Brab. zich rechten, zich zetten; hd. sich auf die Hinterbeine stellen; eng. to stand on the hind-legs; fr. se cabrer; monter sur ses ergots.

1864. Op hooge pooten (of beenen) ergens heen gaan,

d.w.z. opgewonden, verontwaardigd ergens heen gaan; met veel zelfvertrouwen aankomen, meestal om iemand op hoogen toon terecht te zetten. De houding, die iemand daarbij aanneemt, maakt dat men hierbij van ‘hooge beenen’ spreekt. Zie Ndl. Wdb. II, 1306; VI, 1003; Molema, 527: Op hooge bijnen gong hij d'r hen, zooveel als: hij spoedde er zich met drift naar toe, met zekeren trots; of uit kwaadheid, b.v. om iets te beredderen, of: om rekenschap te eischen; Kalv. I, 53: Toen hij hier op hooge pooten heen kwam en over de herrie aan zijn deur klaagde; Sjof. 191: De kerel was op hooge pote naar den baas gegaan, had zich beklaagd, hij had geen onderkomen.

2165. Steen en been klagen,

d.i. zeer luid, zeer heftig klagen, putten in de eerde klagen, steenen uit den grond klagen, zooals men o.a. in Zuid-Nederland zegt; fri. stien en bien kleye. Vgl. Afrik. hy kla steen en been; hd. Stein und Bein schwören; nd. Stên und Bên flôken; lat. Jovem lapidem jurare; mnl. stoc ende stene sweren; bloet ende sweet sweren (bij het bloed en het zweet van Christus); up die (of ten) heilighen swerenMnl. Wdb. III, 270; VII, 2005; 2510.. De Germanen zwoeren bij heilige steenen, later na de invoering van het Christendom bij den grafsteen van een heiligeNoordewier, 427; Grimm, Rechtsalterth.4 II, 547. of bij het altaarSchrader, 342; Ducange, 3, 1608-1609: elevatis manibus super altarium jurare., dat van steen is en waarin zich thans nog altijd een steen bevindt, waaronder gebeente van een heilige ligt. In navolging van deze formule steen en been zweren, dat is zweren bij al wat heilig is, kon dan later gezegd zijn steen en been klagen, jammerenLexer verklaart stein und bein door totes und lebendiges; Grimm I, 1383 omschrijft stein und bein schwören door ‘einen hohen eid leisten, fest, wie stein und bein; Weise, Unsere Muttersprache (1895), 100, zoekt den oorsprong in dezelfde richting als boven: ‘Wie die Römer Jovem lapidem iurabant, wobei der Stein als Sinnebild des Juppiter galt, so auch die Deutschen. Als dann nach Einführung des Christenthums die Gebeine der Heiligen zu Zeugen angerufen wurden, entstand die aus heidnischer und christlicher Anschauung hervorgegangene Schwurformel ‘Stein und Bein schwören’. Zie ook Günther, 98 en Paul, Wtb. 69 die bij Stein und Bein denkt aan ‘Altar und Knochen eines Heiligen’..

2225. Zijn beenen (of voeten) onder een anderman's tafel (moeten) steken,

d.w.z. van iemand afhankelijk zijn, door hem onderhouden worden; bij een ander in dienst gaan als knecht of meid (N. Taalgids XIV, 254). Vgl. Serv. 264*: Hie et altijt op eenen tonne, niemant en kan de voet onder de tafel ghecryghen, d.w.z. hij eet altijd alleen; niemand wordt aan zijn disch gevoed (vgl. Huygens, Tr. Corn. 1386); M. de Br. 250: Alles wat ze eten zou in de eerste dagen zou ze moeten krijgen. Ze zou haar beenen onder de tafel van een ander moeten steken; Antw. Idiot. 2077: Ievers zijn beenen onder tafel steken, er gaan eten; Waasch Idiot. 641; Molema, 8: Zien vouten onder ander mans toafel mouten steken, bij vreemden moeten dienen; Afrik. sy voete onder andermans tafel steek, niet meer in de ouderlijke woning zijn (Boshoff, 334); nd. hä musz sing Bein unger ander Luch 's Desch sätze (zie Taalgids V, 187).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut