Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beëlzebub - (afgod, opperduivel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

Beëlzebub zn. ‘afgod, opperduivel’
Mnl. belsebuc ‘duivel’ [1265-70; CG II, Lut.K], belzebubs (genitief), belsebuvx (genitief) ‘van Beëlzebub’ [1285; CG II, Rijmb.].
Ontleend aan Hebreeuws baʿal-zbūbh ‘heer van vliegen, afgod der Filistijnen’.
In het Oude Testament (2 Koningen 1:2-3 en 6) is Beëlzebub een afgod der Filistijnen: Latijn (Vulgaat) beelzebūb; in het Nieuwe Testament (Mattheüs 10:25; 12:24,27) wordt hij de opperste der duivelen: Grieks beelzeboúl, beelzeboūb. Dit beelzeboūl correspondeert met het Oegaritische epitheton zbl ‘verhevene, vorst’ voor Baʿal, wat overeenkomt met Hebreeuws zəbūl dat onder meer ‘verhevenheid’ betekent. De vorm zəbūb ‘van vliegen’ is dus wrsch. een bewuste verminking van de naam van een heidense godheid.
In Mattheüs 9:34 wordt Jezus verweten dat hij de duivel uitdrijft met Beëlzebub; dit is de bron van de spreekwoordelijke uitdrukking.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Beëlzebub, Beëlzebul [de heerser over de duivels] {Belsebub 1265-1270} < latijn Beelzebub < hebreeuws baʽal zəbhūbh [heer van vliegen, de god van Ekron in II Koningen 1], van baʽal [eigenaar, heer], van het ww. bāʽal [bezitten, beheersen] + zəbhūbh [vliegen]; waarschijnlijk opzettelijke verbastering van een Kanaänitische godennaam baʽal zəbhūl [verheven heer].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

Beëlzebub (Latijn Beelzebub)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Beëlzebub (Hebr.: Baal-Sebub) was de naam van den Baal (= plaatselijken afgod) van Ekron, één der 5 Filistijnsche steden en die ook door de Joden vereerd werd. In het Nieuwe Testament geldt de naam voor “opperste der duivelen” (Matth. 12: 24). In sommige handschriften leest men Beëlzebul, waarschijnlijk daar men den naam niet durfde uitspreken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

Beëlzebub ‘de heerser over de duivels’ -> Negerhollands beelzebul ‘de heerser over de duivels’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut