Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beek - (stromend watertje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

beek zn. ‘stromend watertje’
Onl. in de plaatsnaam Bechi ‘Beek (Gelderland)’ [814; Gysseling 1960, 114], beke iro fardrinkende ‘hun beken/voren met water vullende’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. beke [1264; Toll.].
Os. beki; ohd. bah (nhd. Bach); nfri. (met assibilatie) Beets naast beek; oe. bece, becc, baec (ne. beck < on.); < pgm. *baki. Daarnaast on. bekkr < pgm. *bakja-.
Mogelijk gaat het woord terug op pie. *bhogi- ‘stromend water, beek’ (IEW 161). De etymologische verwantschap van vormen buiten het Germaans is uitgebreid bediscussieerd, maar algemeen geaccepteerd is alleen verwantschap met Iers búal ‘water’ (misschien < pie. *bhog-lā); onzeker is de relatie met Litouws bėgti; Oudkerkslavisch běžati ‘lopen’. Mede gezien het betekenisveld is dit wrsch. een West-Europees substraatwoord.

EWN: beek zn. 'stromend watertje' (814*)
ANTEDATERING: in de plaatsnaam Lachbekki 'Lauwers (Groningen)' [786, kopie eind 12e, begin 13e eeuw; ONW]
Later: in villa quae dicitur Bechi 'in het dorp dat Beek genoemd wordt' [826; ONW]; die beeck Cedron 'de beek(bedding) Kedron' [1477; MNW-P]
{* Aan de datering van de eerste attestatie moet worden toegevoegd: kopie 1190-95.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beek* [smal stromend water] {in de plaatsnaam Bechi, nu Beek (Gld.) <814>, oudnederlands beke 901-1000} oudsaksisch beki, oudhoogduits bah, oudengels bece, oudnoors bekkr; verwantschap met niet-germ. woorden is moeilijk aanwijsbaar, maar mogelijk is er verwantschap met iers bual [stromend water].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beek znw. v., mnl. bēke v., os. beki m., ohd. bah m., < germ. *baki en oe. becc, on. bekkr < *bakja. — Weinig verwanten in het idg.: miers búal (< *bhogla) ‘stromend water’ (v. Wijk IF 24, 1909, 233) en asl. bagno ‘moeras’; idg. wt. *bhogh- (IEW 161).

Het feit, dat de beide genoemde woorden niet eens tot de zelfde idg. wt. teruggevoerd kunnen worden (immers *bhog naast *bhogh) maakt de verg. nog zwakker. Er blijft eigenlijk alleen iers búal over. Deze dan met oi. bhanga-, lit. banga ‘golf’ te verbinden en terug te gaan op de wt. *bheg ‘stukslaan’, is wel wat ver gezocht. Daar waternamen menigmaal nog voor-idg. woordmateriaal bevatten, zou men hier kunnen denken aan een substraatwoord. — In de plaatsnaam Beets vinden wij de geassibileerde friese vorm van beek. — Op grond van het vr. geslacht van het woord bäke in Pommeren en de Mark (in tegenstelling tot het m. gesl. in Oostfalen en Thüringen) besluit Teuchert Sprachreste 182-4, dat bäke met nl. kolonisten naar het gebied ten Oosten van de Elbe overgebracht is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beek znw., mnl. bēke v. Uit germ. *ƀaki- evenals onfr. beke “rivos”, ohd. bah (nhd. bach) m., os. beki m., ags. bece m. (ook andere stammen; eng. beck uit het Noorsch), on. bekkr m. “beek”. Wsch. verwant met arm. bek “gebroken”, bekanem “ik breek”, oi. bhanákti “hij breekt”. Deze laatste vorm — met nasaalinfix — kan zoowel van den wortel bheg- als van den genasaleerden bheŋg- gevormd zijn. Zie over deze basis bij bank I. Voor de bet. vgl. lit. bangà “golf”, oi. bhaŋgá- “breuk, golf, goot, kanaal”. Van den wortel bheg-, bhog- wsch. ook ier. buar “flux, diarrhoea”, bual “stroomend water”. Ook russ. bagnó “moerasland” heeft men vergeleken; zie echter hij baggeren. De combinatie met gr. phébomai “ik vlucht”, obg. běžą, běžati, lit. bė́gu, bė́gti “loopen, vluchten” is semasiologisch minder wsch., wegens de afwijkende gutturaal onmogelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beek v., Mnl. beke, Onfra. beke & Os. beki + Ohd. bah (Mhd. en Nhd. bach), Ags. bece (Eng. beck), Ofri. bitze (voor beki), On. bekkr (Zw. bäck, De. bæk) + Skr. bhangas = breuk, golf, bhanakti = breken, Arm. bekanem = breken, Lit. banga = golf: Idg. wrt. bheɡ verwant met den wortel van breken; z. ook broek 2.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

beek 'natuurlijke waterloop'
Onl. beki, beke 'natuurlijke waterloop', mnl. beke, os. beki, ohd. bah < germ. *baki en oe. becc, ono. bekkr < germ. *bakja-. Naar het schijnt alleen verwant met Iers búal 'stromend water' en gezien het betekenisveld (landschap) waarschijnlijk een substraatwoord. De productiviteit van beek-namen strekt zich uit over de periode vanaf de germanisering tot heden.
Oudste attestatie in plaatsnamen: 814-815 kopie 1170-1175 Bechi (→ Beek2)1.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 79.

beetse 'laaggelegen, 's winters onderlopend grasland'
Friese relictvorm van het toponymisch grondwoord beek 'natuurlijke waterloop', ontstaan uit germ. *baki- 'beek', met assibilatie van k tot ts voor -i-1, met betekenisontwikkeling van 'natuurlijke waterloop' tot 'laaggelegen, 's winters onderlopend grasland'. Zie → Beets1, → Beets2, → Lauderbeetse en → Sellingerbeetse.
Lit. 1Ter Laan 1954 48.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beek ‘smal stromend water’ -> Duits dialect Beke, Bääk, Bäck, die Bach ‘smal stromend water, drink- of wasplek bij een beek; het urineren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beek* smal stromend water 0814 [Claes]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bhog- ‘fließendes Wasser, Bach’

Mir. búal f. ‘fließendes Wasser’ (*bhoglā), búar m. ‘diarrhoea’ (*bhogro-); urgerm. *baki-, ahd. bah, nhd. Bach, neben *bakja- in aisl. bekkr, ags. becc m. ds.
Mit Hinblick auf ai. bhaŋgá-ḥ, lit. bangà ‘Welle’ könnte an die Wz. bheg- ‘zerschlagen, zerbrechen’ angeknüpft werden.

WP. II 149 f., 187.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal