Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beduusd - (beteuterd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beduusd bn. ‘beteuterd’
Nnl. beduust ‘verbouwereerd, beteuterd’ [1842; WNT].
Verl.deelw. van het werkwoord bedu(i)zen ‘bedwelmen’ (nog in door slaap beduusd [1905; WNT voelen]) een afleiding met → be- van een werkwoord *dusen, waarbij het frequentatief → duizelen.

EWN: beduusd bn. 'beteuterd' (1842)
ANTEDATERING: wierd beduusd (Gelders) 'raakte verbouwereerd' [1835; Geld.VA, 94]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beduusd* [beteuterd] {1855} van duizelen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

beduusd

De betekenis van beduusd is: beteuterd, onthutst, verlegen, ontsteld. Natuurlijk is het een voltooid deelwoord van een werkwoord, dat is aan de vorm te zien. Dat werkwoord moet hebben geluid: beduizen, maar het is niet teruggevonden. Wel is bekend: beduizelen: duizelig maken. Daarvan luidt het voltooide deelwoord natuurlijk beduizeld. Dit schijnt met de nevenvorm beduzeld in Drente nog voor te komen.

De vorm beduusd heeft de eigenaardigheid van de uu. In zeer veel gevallen is deze door ui verdrongen. Door welke oorzaak hij in beduusd (en in ruzie) bewaard gebleven is, valt niet uit te maken. Dit is nl. niet hetzelfde geval als in woorden als: beduveld, gruzelementen enz., waarvan men aanneemt dat ze de u-klank hebben behouden doordat ze mondeling en niet schriftelijk en dan nog geëmotioneerd werden gebruikt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

duizelen ww., mnl. dûselen, duyselen ‘duizelen, tuimelen’, iteratief bij *dūsen, vgl. oostfri. dūsen ‘draaien, duizelen’, on. dūsa ‘uitrusten, zich kalm houden’ (nnoorw. dial. dūsa, ‘sluimeren, doezelen’) en daarvan afgeleid nl. duysich (Kiliaen) ‘bedwelmd’, mnd. dūsich ‘duizelig, bedwelmd’ en nl. beduusd, oostfri., gron. bedūsd ‘bedwelmd, van streek’. Daarnaast abl. mnl. dōsich, dȫsich ‘bedwelmd, duizelig’, mnd. dōsich ‘waanzinnig’, oe. dysig (ne. dizzy) ‘dwaas’. — Zie: dwaas en doezelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

duizelen, duizelig ww., bnw. Kil. duyselen, duysigh, mnl. dûselen, waarvan verdûselt “verdoofd, bedwelmd”. Vgl. ndl. (ook dial., o.a. noordholl., en geld.) beduusd, oostfri. gron. bedûsd “bedwelmd, van streek”, oostfri. dusen “draaien, duizelen”, dus(s)elig “duizelig, slaperig, bedwelmd”, mnd. dûsich “bedwelmd, duizelig”, on. dûsa “zich kalm houden”, zw. dial. dûsa “sluimeren”. Met. ospr. ŭ: mnl. dōsich (dȫsich) “bedwelmd, duizelig” (zoowel de vorm met ö als met ȫ komen dial. nog voor), ohd. tusîg “dom”, mnd. dōsich “waanzinnig”, ags. dysig “dwaas” (eng. dizzy), ofri. dusia “duizelig zijn”. [Met oorspr. au brengt men hierbij mhd. tôre (nhd. tor), mnl. mnd. dôr(e) m. “dwaas”; wellicht echter heeft dit niet r < z, maar oude r: vgl. on. dûra “slapen”: ðū̆r- en ðū̆s- zijn hoogerop verwant.] Aan al deze woorden ligt de grondbet. van bedwelming ten grondslag. Een andere beteekenis vertoonen: mhd. tûsen “lawaai maken”, ouder de. duse “fuiven”. Al deze woorden komen van den bij dier besproken wortel dhewes, dhū̆s- “hijgen, blazen, ademen”, zie ook dwaas en doezelig.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beduusd* beteuterd 1855 [WNT vreemd]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut