Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bedrijf - ((beroeps)werkzaamheid, firma; deel van toneelstuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bedrijf zn. ‘(beroeps)werkzaamheid, firma; deel van toneelstuk’
Mnl. te allen bedriue ‘inzake iedere handeling’ [1293; CG I, 1944], onder den bedriue van ‘in het rechtsgebied van, onder de macht van’ [1297; CG I, 2462]; vnnl. de werelt ... ende al haer valsch bedrijf ‘de wereld en het geheel van haar valse activiteiten’ [1500-20; MNW-P], bedrijf ‘dat waarmee iemand de kost verdient’ [1507; WNT]; ‘deel van een toneelstuk’ [na 1625; WNT]; nnl. bedrijf ‘boerderij’ [19e eeuw; WNT], ‘onderneming; fabriek’ [1940; Koenen].
Afgeleid van het Middelnederlandse werkwoord bedriven ‘doen, handelen, ten uitvoer brengen, besturen’, zie → bedrijven. In de betekenis ‘deel van een toneelstuk’ wrsch. de leenvertaling van Frans acte < Latijn actus ‘bedrijf; handeling’, bij het werkwoord agere ‘handelen’ (zie → ageren).
Mnd. bedrif ‘het bedrijven; activiteit’ (nhd. Betrieb ‘firma; drukte’); nfri. bedriuw.
Tot in de 17e eeuw werden in de betekenis ‘deel van een toneelstuk’ ook wel handel en handeling gebruikt, eveneens leenvertalingen van acte of actus.

EWN: bedrijf zn. '(beroeps)werkzaamheid, firma; deel van toneelstuk'; de betekenis 'deel van toneelstuk' (na 1625)
ANTEDATERING: 't eerste bedrijf [1610; iWNT handeling]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bedrijf* [beroepswerkzaamheid] {1293} middelnederduits bedrif [het handelen, landbouw, gebied, macht], van bedriven [doen, bewerken, besturen, drijven], van be- + drijven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1bedryf s.nw.
1. Beroep, ambag, vak. 2. Handeling wat verrig word. 3. Een van die hoofafdelings van 'n toneelstuk, film of opera. 4. Saak, onderneming. 5. Werking. 6. Beoefening.
Uit Ndl. bedrijf (1507 in bet. 1, 1782 in bet. 2, 1830 - 1835 in bet. 3). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bedrijf ‘deel van toneelstuk’ (bet. van Latijn actus); (buiten/in --) (vert. van Duits außer/in Betrieb)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bedrijf ‘beroepswerkzaamheid’ -> Duits Betrieb ‘beroepswerkzaamheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens bedrift ‘grote prestatie; zaak, onderneming; boerderij’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bedrift ‘zaak, onderneming; prestatie’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect bedrieff ‘vak, beroep’; Papiaments † bedrijf ‘beroepswerkzaamheid’; Sranantongo bedrèif ‘beroepswerkzaamheid’; Surinaams-Javaans bedrèf ‘beroepswerkzaamheid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bedrijf* beroepswerkzaamheid 1293 [CG I3, 1944]

bedrijf* deel van een toneelstuk 1704 [Hannot&Hoogstraten]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut