Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bedriegen - (misleiden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bedriegen ww. ‘misleiden’
Onl. that sie bedriegen (conjunctief) ‘dat zij misleiden’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. bedriegen (sterk en zwak; MNW), bedrieghenlike ‘misleidend’ [1237; CG I, 38]; daarnaast zonder voorvoegsel: Lieghen drieghen conste niemen bet ‘liegen en bedriegen kon niemand beter’ [1285; CG II, Rijmb.].
Afleiding met → be- bij mnl. drieghen ‘bedriegen, misleiden’. Hierbij ablautend ook → bedrog. Zie ook → drogreden.
Os. (bi)driogan (mnd. bedregen); ohd. (bi)triogan (mhd. (be)triegen; nhd. betrügen); ofri. bidriaga (nfri. bedrage); < pgm. *-dreugan-.
Verwant met: Sanskrit drúhyati ‘hij schaadt’, dróha ‘verraad, hoon’; Avestisch družaiti ‘hij liegt, bedriegt’, draoga- ‘leugen’; bij de wortel pie. *dhreugh- ‘bedriegen’ (IEW 276).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bedriegen* [misleiden] {oudnederlands bedriegan 901-1000, middelnederlands bedriegen} naast driegen, oudsaksisch (bi)driogan, oudhoogduits (bi)triogan, oudfries bidriaga; buiten het germ. oudindisch druhyati [hij tracht te benadelen, is vijandig], druh- [boze geest, vijand]; het zn. bedrog is een ablautende vorm, vgl. middelnederlands bedroch, naast droch, maar ook bedriechdroom, gedrocht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bedriegen ww., mnl. (be)drieghen, onfrank. bedriegan, os. (bi)driogan, ohd. (bi)triogan, ofri. bidriaga ‘bedriegen’. Ablautend daarnaast on. draugr ‘spook’ os. gidrog ‘verschijning, waanbeeld’; zie verder: gedrocht. — oi. druhyati ‘tracht te benadelen’, drogha- ‘beschadiging’, druha- ‘boze geest’, av. družaiti ‘liegt, bedriegt’, draoga ‘leugen’, oiers aurddrach ‘spook’, van idg. wt. *dhreugh ‘op listige wijze schade toevoegen’ (IEW 276). — Zie verder: bedrog, droom en dwerg.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bedriegen ww., mnl. (be)drieghen. = onfr. bedriegan, ohd. (bi)triogan (nhd. (be)trügen), os. (bi)driogan, ofri. bidriâga “bedriegen”. Hiermede ablautend on. draugr m. “spook”. Met schwundstufe: ndl. bedrog o., mnl. bedrock (gh) o. naast gewoner droch o. “leugen, bedrog” (nnl. nog in drogreden, droggrond, droglicht), ook “spook, visioen” (in deze bet. vooral ghedroch) = ohd. bitroc, gitroc “spook” (gitroc ook “fallacio, fictio”; nhd. (be)trug m.), os. gidrog o. “id”. Verwant met ier. aurdrach “spook”, oi. drúhyati “hij probeert te benadeelen, berokkent leed”, av. družaiti “hij liegt, bedriegt”, oi. dró(g)ha- “hoon, benadeeling, verraad” en av. draoga- “leugenachtig, leugen” (formeel = on. draugr). Idg. dhrewe-gh- is een verlenging van dhrewe-, waarvan oi. dhrúti- “bedrog, verleiding”; zie verder bij dwerg. Met een formans d(h): lat. fraus, -dis “bedrog”. Zie droom en gedrocht. NB. Van een geheel ander germ. ðreuʒ- komt got. driugan “krijgsdienst verrichten”, ags. drêogan “volvoeren, verduren”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bedriegen. Met Güntert Reimw. 63 aan te nemen, dat de idg. basis *dhreu-(*dhrewe-) met -gh- verlengd is onder invloed van de basis van liegen, is een te gewaagde stap in de praehistorie. Daarmee is echter niet ontkend, dat vanouds tussen de rijmende wortels van liegen en bedriegen associatieve betrekkingen kunnen hebben bestaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

driegen 1 o.w. (bedriegen), Mnl. id.,Onfra. driegan, Os. driogan + Ohd. triogan (Mhd. triegen, Nhd. trügen), Ofri. bi-driúga; in geen ander Germ. talen, tenzij afgel. zelfst.nw. in ’t Ags. en ’t On. + Skr. druhyati = schaden, Ze. družaiti = bedriegen, Oier. droch = slecht: Idg. wrt. dhreu̯gh; Lat. fraus, fraudis = bedrog, tot den verwanten en synon. wortel dhreu̯dh. — De Germ. wrt. dreu̯g = bedriegen heeft twee homoniemen: het eerste = verrichten (Go. driugan = krijgsdienst verrichten, Ags. dreogan = volbrengen + Osl. družina = gevolg, Lit. draùgas = reismakker: z. drossaard); het tweede = droog zijn (z. droog): geen verband tusschen deze drie homon.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bedriegen van den Germ. wt. drug = teleurstellen, en dit van den Idg. wt. drugh = schade doen. Ook gedrocht (d.i. wat onze zinnen bedriegt, een spook) is er van afkomstig. (Skr. druh = booze geest.)

Driegen (stamwoord van bedriegen) van den Germ. wt. drug = misleiden, en dit van den Idg. wt. dhrugh = benadeelen. – Bedrog, gedrocht en droom zijn er aan verwant.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bedriegen ‘misleiden’ -> Fries bedrige ‘misleiden’; Deens bedrage ‘misleiden; vreemdgaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bedra ‘misleiden’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bedra(ga) ‘onbetrouwbaar handelen; misleiden’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands bedrieg, bidrig ‘misleiden’; Sranantongo bedrigi ‘misleiden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bedriegen* misleiden 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1994. Schijn bedriegt,

d.w.z. men moet niet afgaan op den uiterlijken schijn van menschen en dingen, ‘want daer veel op eerden leeft die van buten dragen schijn anders dan si van binnen sijn’ (Rein. II, 4310); mnl. waen bedrieght. Deze gedachte drukt Seneca, De Benef. 4, 34, 1 uit met de woorden fallaces enim sunt rerum species. Bij ons komt het spreekwoord voor sedert de 16de eeuw; zie Harrebomée II, 248 en vgl. De Brune, 187: De spieghel lieght, de schijn bedrieght; Brederoo I, 228, vs. 414: Eleman, schijn bedrieght, daer is meer gelyx as eygen; V.d. Venne, 67: Schijn bedriegt; 149: Schijn bedriegt, of bedroch is maer schijn; Tuinman I, 106: Schyn bedriegt; Halma, 566; Sewel, 717: Schyn bedriegt, appearance deceeves; Afrik. skijn bedrieg; enz. enz.; hd. der Schein trügt; zw. Skenet bedrager.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut